bengelen

werkw.
Uitspraak:  ['bɛŋələ(n)]
Vervoegingen:  bengelde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gebengeld (volt.deelw.)

hangen en heen en weer bewegen
Voorbeelden:  `een bengelend halssieraad`,
`aan een boom te bengelen hangen`
Synoniem:  bungelen
onderaan bengelen  (de laatste zijn in een competitie)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
slingeren zwengelen

3 definities op Encyclo
  1. heen en weer slingeren Jaar van herkomst: 1897 (WNT )
  2. een beetje heen en weer slingeren vb: de engel hing te bengelen in de kerstboom
  3. 1) Hangen 2) Onderaan hangen 3) Schommelen 4) Slingeren 5) Zwabberen 6) Zwengelen
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
bengelen (heen en weer slingeren)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 95% van de Nederlanders en 98% van de Vlamingen het woord `bengelen`.