agenderen

werkw.
Uitspraak:  [axɛn'derə(n)]
Vervoegingen:  agendeerde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft geagendeerd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

als agendapunt op de agenda (1) zetten
Voorbeeld:  `de interne communicatie agenderen`

© Kernerman Dictionaries.

2 definities op Encyclo
  1. tot een agenda verenigen Jaar van herkomst: 1880 (WNT agenda Suppl )
  2. 1) Boeken 2) Een bespreeklijst maken 3) Inplannen 4) Op de agenda plaatsen 5) Opschrijven 6) Verenigen 7) Vergaderterm
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
agenderen (tot een agenda verenigen)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 88% van de Nederlanders en 72% van de Vlamingen het woord `agenderen`.