afscheiden van
werkw.
| Uitspraak: | [ˈɑfsxɛidə(n) vɑn] |
| Vervoegingen: | scheidde af van (verl.tijd enkelv.) |
| Vervoegingen: | heeft afgescheiden van (volt.deelw.) |
1) scheiden van (een groter geheel) | Voorbeeld: | `Een groep Vlamingen wil Vlaanderen afscheiden van België.` | |
| Synoniem: | afsplitsen |
2) scheiden van (een aangrenzende ruimte) | Voorbeeld: | `een open keuken afscheiden van de kamer met een grote plantenbak` | |
Vraag & Antwoord voor je slimme speaker
Wat is de verleden tijd van afscheiden van?
De verleden tijd van afscheiden van is 'scheidde af van'. Het voltooid deelwoord is 'heeft afgescheiden van'.
Wat betekent afscheiden van?
'scheiden van (een groter geheel)' en 'scheiden van (een aangrenzende ruimte)'
Hoe spel je afscheiden van?
afscheiden van spel je A F S C H E I D E N Spatie V A N Op andere websites
Zoek afscheiden van in het
Algemeen Nederlands Woordenboek
Zoek afscheiden van op
Google
Zoek afscheiden van op
Woordenlijst.org
Zoek afscheiden van in de woordenboeken van het
Instituut voor de Nederlandse Taal
Zoek afscheiden van op
Wikipedia