afkomen van

werkw.
Uitspraak:  ɑfkomə(n) vɑn]
Vervoegingen:  kwam af van (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  is afgekomen van (volt.deelw.)

(iets vervelends) kwijtraken
Voorbeelden:  `Die man loopt me steeds achterna. Hoe kom ik van hem af?`,
`proberen van het roken af te komen`
er bekaaid van afkomen  (weinig krijgen) `De anderen kregen veel eten, maar wij kwamen er bekaaid van af met alleen een bord soep.`

© Kernerman Dictionaries.