afdoen aan

werkw.
Uitspraak:  ɑvdun an]
Vervoegingen:  deed af aan (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft afgedaan aan (volt.deelw.)

niet/niets afdoen aan  (niet verslechteren of verminderen) `De bruine vlekjes op de bonen doen niets af aan de smaak.`

© Kernerman Dictionaries.