• zoals de ouden zongen piepen de jongen (=de jongeren leren het van de ouderen) • zo dood als een pier (=geheel en al dood, als een aardworm die slap aan de hengel hangt) • wie zich aan een ander spiegelt spiegelt zich zacht (=wie uit het ongeluk van anderen lering trekt, zal minder ongeluk hebben) • we zullen ze eens een poepie laten ruiken (=we zullen iets doen dat hen zal verbluffen (vooral toegepast in situaties waar sprake is van competitie)) • Pietje de dood maait altijd. (=doodgaan is onvermijdelijk) Toon alle 39 spreekwoorden die PIE bevatten
6 definities op Encyclo
[Bargoens, boeventaal] buurt. Hoerenpié. Ruiterpié. (Pieter Jacobstraat te Amsterdam).
[Let op: mogelijk oud Nederlands van 1400-1800] pij van grove wollen stof