Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


54 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `win`

  1. als de dagen (gaan) lengen, gaat/gaan de vorst/winter/nachten strengen (=het koudste deel van de winter valt na de kortste dag)
  2. als winnaar/beste uit de bus komen (=iets of iemand blijkt het beste te zijn)
  3. dat zal hem geen windeieren hebben gelegd (=daar zal hij wel veel geld mee verdiend hebben)
  4. de aanhouder wint (=je wint als je maar lang genoeg blijft proberen)
  5. de appel wegdragen/winnen (=als schoonste erkend worden)
  6. de gestadige jager wint (=regelmatig doorzetten geeft het beste resultaat)
  7. de huik naar de wind hangen (=meeheulen - altijd andermans standpunt volgen)
  8. de mantel naar de wind hangen (=steeds de opinie van de anderen volgen)
  9. de wind eronder hebben (=de ondergeschikten hebben angst)
  10. de wind in de zeilen hebben (=voorspoed hebben)
  11. de wind niet door de hekken laten waaien (=elke gelegenheid te baat nemen)
  12. de wind van voren krijgen (=kritiek krijgen, direct gezegd worden wat er mis is)
  13. de wind waait uit die hoek (=een mening van iemand uit een bepaalde groep/partij)
  14. de wind waait uit een andere hoek (=de meningen/omstandigheden zijn veranderd)
  15. die niet waagt, die niet wint (=wie nooit een risico neemt kan ook niet iets bereiken)
  16. die wind zaait zal storm oogsten (=wie kwaad doet, zal er uiteindelijk zelf de gevolgen van dragen)
  17. een bonte kraai maakt nog geen winter (=één voorbeeld is niet genoeg om een definitief besluit te nemen)
  18. een Pyrrhusoverwinning behalen (=winnen wat zoveel heeft gekost dat je de volgende ronde niet meer aan kan)
  19. een slak op de goede weg, wint het van een haas op de verkeerde weg (=je kunt beter iets langzaam en goed doen, dan snel en niet goed)
  20. elke bos stro waait voor de wind (=onder makkelijke omstandigheden kan iedereen welvaren of iets uitvoeren)
  21. er de wind onder hebben (=de schrik erin hebben zitten bij ondergeschikten)
  22. er geen doekjes om winden (=de waarheid onverbloemd vertellen)
  23. Haagse wind (=bluf)
  24. het eerste gewin is kattengespin (=wie het eerste spelletje wint, verliest soms alle volgende spelletjes)
  25. het gaat hem/haar voor de wind (=hij/zij heeft geluk)
  26. het is een kwade wind die niemand voordeel brengt (=er is altijd wel iemand die van de omstandigheden weet te profiteren)
  27. het pleit winnen (=de zaak winnen)
  28. hoge bomen/masten vangen veel wind (=in een hoge positie heeft men ook veel verantwoordelijkheid)
  29. iemand de wind uit de zeilen nemen (=iemand dwars zitten)
  30. iemand om zijn vinger (kunnen) winden (=alles van iemand gedaan (kunnen) krijgen of alles mogen)
  31. iets in de wind slaan (=naar een advies niet naar luisteren)
  32. Men kan een paard wel in het water trekken, maar niet dwingen dat het drinkt. (=Je moet iemand niet dwingen, zelfs niet tot iets leuks)
  33. met alle winden draaien (=altijd iedereen gelijk geven)
  34. met alle winden meedraaien (=altijd iedereen gelijk geven)
  35. met alle winden waaien (=altijd iedereen gelijk geven / door alles en iedereen laten beïnvloeden)
  36. niet van de wind kunnen leven (=moeten werken om alles te kunnen betalen)
  37. om de vinger winden (=er gemakkelijk baas over worden)
  38. Pluimen in de wind waaien (=Iets doen zonder na te denken)
  39. tegen windmolens vechten (=tegen irreëele gevaren/zaken vechten)
  40. tel uit je winst (=kijken en doen waar je het meeste voordeel bij hebt, `zie je wel!`)
  41. veld winnen (=steeds belangrijker worden)
  42. voor de wind gaan (=voorspoed hebben)
  43. Voor de wind is het goed zeilen (=Onder gunstige omstandigheden is het gemakkelijker succes te hebben)
  44. vreemde ogen dwingen (=de ogen van een vreemde heeft meer invloed op je dan van een bekende)
  45. werk aan de winkel zijn (=veel werk te verzetten zijn)
  46. weten uit welke hoek de wind waait (=weten hoe het in elkaar zit, wie de baas is)
  47. wie niet waagt, wie niet wint (=wie geen risico neemt, die wint niets)
  48. wie wind zaait zal storm oogsten (=wie ruzie probeert te veroorzaken zal zelf ruzie krijgen)
  49. zachte winters, vette kerkhoven (=zachte winters geven vaak aanleiding tot meer ziekten dan strenge winters)
  50. zich onder het juk der dwingelandij krommen (=onderworpen zijn)

42 betekenissen bevatten `win`

  1. wee de wolf die in een kwaad gerucht staat (=als je je goede naam verliest is die haast niet terug te winnen)
  2. fris gewaagd is half gewonnen (=de moedigste heeft de meeste kansen om iets te winnen)
  3. overstag raken (=de wind van voren krijgen)
  4. het pleit winnen (=de zaak winnen)
  5. een hoge toon aanslaan (=doen alsof je het voor het zeggen hebt / luid en dwingend spreken)
  6. de hoofdvogel schieten (=een hoofdprijs winnen, maar vaak ironisch bedoeld. Letterlijk: de hoofdvogel is de hoofdprijs bij het vogelschieten)
  7. een klein visje een zoet visje (=een klein voordeel of winstje dat met weinig moeite is verkregen)
  8. iemand de wacht aanzeggen (=een laatste waarschuwing geven)
  9. een schot voor de boeg (=een uitspraak of vraag als eerste aanzet tot een gesprek of discussie (eigenlijk: een waarschuwingsschot))
  10. teken aan de wand (=een waarschuwing dat er iets gaat gebeuren)
  11. er een laten vliegen (=een wind laten)
  12. zijn schaapjes scheren (=er de winst uithalen)
  13. de schapen scheren (=gemakkelijk grote winsten maken)
  14. niet om de knikkers, maar om het spel (=het gaat niet om het winnen, maar om het spel)
  15. als de dagen (gaan) lengen, gaat/gaan de vorst/winter/nachten strengen (=het koudste deel van de winter valt na de kortste dag)
  16. er loopt hem een luis over de lever (=hij windt zich al over het minste op)
  17. iemand in het gareel slaan (=iemand dwingen voor je te werken, iemand aan het werk zetten)
  18. iemand op de pijnbank leggen (=iemand het moeilijk maken en daarmee dwingen iets te doen)
  19. iemand klein krijgen (=iemand laten merken dat je hem aankunt, over iemand de baas zijn en diegene tot gehoorzaamheid dwingen)
  20. voor het blok zetten (=iemand onverwacht in een lastige positie brengen; bijvoorbeeld iemand dwingen te reageren die dat eigenlijk niet wil, of iemand dwingen een keuze te maken.<>)
  21. iemand een bril op de neus zetten (=iemand terechtwijzen of dwingen gehoorzaam te zijn)
  22. bloot slaat dood (=iemand voor het blok zetten: iemand dwingen een keuze te maken)
  23. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)
  24. Men kan een paard wel in het water trekken, maar niet dwingen dat het drinkt. (=Je moet iemand niet dwingen, zelfs niet tot iets leuks)
  25. de aanhouder wint (=je wint als je maar lang genoeg blijft proberen)
  26. platvis eet je met de ramen open en rondvis met de ramen dicht (=m.a.w. platvis is een zomervis en rondvis is in de winter op z`n best)
  27. een bliek (spiering) uitgooien om een snoek te vangen (=met zo min mogelijk kosten proberen maximale winst te behalen)
  28. een roepende in de woestijn zijn (=niemand die naar je wil luisteren (bij raad/waarschuwingen))
  29. hard tegen hard gaan (=niemand die wil toevoegen en er beide voor gaan om te winnen)
  30. als David zijn volk telde verloor hij de strijd (=tel de winst pas uit bij het einde van de strijd)
  31. aan de weg timmeren (=veel activiteiten ontplooien en daarmee naar buiten treden om verandering en vernieuwing te bewerkstelligen)
  32. Vertrouwen komt te voet, maar gaat te paard. (=Vertrouwen wint men langzaam, maar kan men vlug verliezen)
  33. Wat de boer aan het koren verliest zal hij aan het spek wel terugvinden (=Waar iemand iets verliest zal iemand (anders) iets winnen)
  34. Als je veel eet, dan ben je lelijk als je dood bent. (=Waarschuwing tegen te veel eten.)
  35. wie niet waagt, wie niet wint (=wie geen risico neemt, die wint niets)
  36. het eerste gewin is kattengespin (=wie het eerste spelletje wint, verliest soms alle volgende spelletjes)
  37. de palm wegdragen (=winnen)
  38. in de wacht slepen (=winnen - verwerven)
  39. een Pyrrhusoverwinning behalen (=winnen wat zoveel heeft gekost dat je de volgende ronde niet meer aan kan)
  40. de bovenhand krijgen (=winnen, zegevieren)
  41. zachte winters, vette kerkhoven (=zachte winters geven vaak aanleiding tot meer ziekten dan strenge winters)
  42. Ze trekken om het langst (=Ze willen beide winnen)

Het dialectenwoordenboek kent 79 spreekwoorden met `win`

  1. Westlands: voor de wind hebbe (=windje mee hebben)
  2. Zeeuws: zeilschippers spraken over - oplopende - een koeltje, een zuchtje, een koutje, een veger wind en tot slot sturmswee. (=windkracht uit gedrukt in Beaufort was er niet)
  3. Munsterbilzen - Minsters: éne lotte vliege (='n windje laten)
  4. Munsterbilzen - Minsters: zen daus oëpe zètte (=een windje laten)
  5. Helenaveens: Liete gij d’r inne? (=Liet jij een windje?)
  6. Westerkwartiers: mien bips liet 'n boerke (=ik liet een windje)
  7. Zeeuws: ei zeker in je vinger e snee-en., wan kruuke bloed (=windje)
  8. Oudenbosch: daoretie nun dot sente aon overgouwe (=dat heeft hem geen windeieren op geleverd)
  9. Waaslands: een padde doodtrappen (=een windje laten)
  10. Flakkees: Plaatse windbulen (=Inwoner van Ooltgensplaat)
  11. Aalsters: een windjboil (=uit de nek kletsen)
  12. Weerts: d'r eine op zien zök laote kui-jere (=een windje laten)
  13. Ransts: he stopt is me aven achterklap (=tegen iemand die een windje laat)
  14. Munsterbilzen - Minsters: ne klink en ne klank, ne stink en ne stank, n zievering van de derm en t mok de broek werm (=windje)
  15. Merenaars: die van boven de windj (=dorpen tussen mere en zottegem)
  16. Westerkwartiers: nou loat ik dij loop'n en nou bromst ook nog (=bij het laten van een windje :)
  17. Gents: konseer veur duuve, nen achterklap, die tiest geriekt, zijn olleke die piept (=een windje laten)
  18. Westerkwartiers: hij is hen en weer as de wiend (=hij waait met alle winden mee)
  19. Munsterbilzen - Minsters: nau lot ich tich los en de groemels nog (=ik liet een windje met wat veel lawaai)
  20. Flakkees: Hoage boamen vangen veul wind (=Hoge bomen vangen veel wind)
  21. Koersels: dunne wind (=koude wind op een zonnige dag)
  22. Walshoutems: Het jug hei fel (=Er staat veel wind)
  23. Sint-Niklaas: ene loate vliegen (=een wind laten)
  24. Westerkwartiers: liek teeg'n de wiend ien (=pal tegen de wind in)
  25. Munsterbilzen - Minsters: wae wènd zaet, zal stürm oogste (=als je uien vindt in je eten, is de kans groot op hevige winden)
  26. westlands: voordewind (=met de wind in de rug)
  27. Lichtervelds: zne broek scheurt (=hij laat een wind vliegen)
  28. Liwwadders: in 'e wien op (=tegen de wind in)
  29. Lichtervelds: tdundert in zne broek (=hij laat een wind)
  30. Hendrik-Ido-Ambachts: stevige bries (=harde wind)
  31. Ninoofs: de boeërne vrou es doeë (=de wind huilt)
  32. Elspeet: Teegn de wiend in sniesteren (=Tegen de wind in plassen)
  33. Lokers: Wie héét er ier in zijne vinger gesneen (=Als iemand een wind laat)
  34. Valkenswaards: De wèind van vurre krijgen (=De wind van voren krijgen)
  35. Liemers: Däöj meh gin wind nie waerd dah't begint (=Dooi zonder wind niet waard dat hij begint.)
  36. Gents: zuu rap oof de wind (=vliegensvlug)
  37. Munsterbilzen - Minsters: draeë waaj ne wèndhaon (=met de wind meedraaien (fig.))
  38. Evergems: een weekmeere mee 'n teste zop (=Een waterige wind (scheet) laten)
  39. Antwerps: der ei iëne in zaaine vinger gesneeje (=iemand heeeft een wind gelaten)
  40. Munsterbilzen - Minsters: van zenen traun valle (=hoge bomen vangen veel wind)
  41. Kortemarks: jet e schete gelaotn (=hij heeft een wind gelaten)
  42. Zeeuws: jestienkt zeven roen de wind in (=stinken)
  43. Oudenbosch: ijee nie slecht geboerd (=het is hem voor de wind gegaan)
  44. Genneps: Hij mos flink knéje tegen de wiend ien (=tegen de wind in fietsen)
  45. Brugs: mè de wiend in 't gat (=met de wind in de rug)
  46. Ninoofs: wie eet er ier ieënen afgetrokken (=Van waar komt de wind?)
  47. Bilzers: den aonhaager wént, de broekesjijter stink (=de aanhouder wint, de lafaard laat wind)
  48. Zeeuws: ei uut n dulf efrete n (=iemand heeft een stink wind gelaten)
  49. Munsterbilzen - Minsters: maok tich mèr geen dikke been (din èste maude) (=wind je maar niet op !)
  50. Oudenbosch: die gaodaart bij wiend mee (=wind mee voor iemand op de fiets met flaporen)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen