Spreekwoorden met `rustig`

Zoek
Er zijn geen spreekwoorden gevonden die `rustig` bevatten.

21 betekenissen bevatten `rustig`

  1. als je geschoren wordt, moet je stilzitten (=als er scherpe kritiek op je is (je wordt geschoren), kun je beter rustig wachten tot het voorbij is, in plaats van erop in te gaan)
  2. kalmte zal je redden (=als je rustig blijft gaan de dingen beter)
  3. zo kalm als een zalm (=een rustig persoon)
  4. rusten aan abrahams` borst (=een rustig, aangenaam leven leiden)
  5. rust noch duur hebben (=erg onrustig zijn)
  6. in koelen bloede iets doen (=geheel kalm en rustig iets doen, alsof er niets aan de hand is)
  7. piano aan gaan (=heel rustig en langzaam gaan)
  8. op je dooie gemak (=heel rustig, zonder zich te haasten)
  9. gas terugnemen (=het iets rustiger aan gaan doen)
  10. het gaat zo zijn gangetje (=het verloopt rustig, zonder ups en downs)
  11. langzaam aan, dan breekt het lijntje niet (=je kunt beter rustig doorwerken, dan kan er het minste fout gaat)
  12. je katoen houden (=je rustig houden)
  13. lopen als een kip die haar ei niet kwijt kan (=onrustig heen en weer lopen)
  14. lopen als een muis in een meelton (=onrustig heen en weer lopen)
  15. op z`n dooie akkertje (=op zijn gemak, heel rustig, heel langzaam)
  16. je wilde haren verliezen (=ouder en rustiger worden)
  17. de bui afwachten (=rustig afwachten wat voor onheil er komt)
  18. als een marmot (=slapen als een marmot : diep, rustig)
  19. paardenvlees gegeten hebben (=van nature onrustig zijn)
  20. leven in de brouwerij brengen (=waar het rustig is activiteit, vrolijkheid of drukte inbrengen)
  21. geduld is een schone zaak (=wie rustig afwacht wordt beloond)

50 dialectgezegden bevatten `rustig`

  1. 'k zit ier vree op me gemak (=ik zit hier goed en rustig) (Sint-Niklaas)
  2. 't gijt piano an (=het gaat heel rustig aan) (Westerkwartiers)
  3. 't zit niemand achter a (=doe rustig) (Kaprijks)
  4. aaft aven doemp mo in (=hou het rustig) (Overijses)
  5. aals hef zien tied (=doe maar rustig aan) (Vechtdals)
  6. at ze breidsje gebakken ès, moessët doëviër nog nie hals iëver kop opaete (=geniet rustig van de rijkelijk leventje) (Munsterbilzen - Minsters)
  7. awd oew gemak (=hou je rustig) (Essens)
  8. bedaar even ! (=doe rustig aan) (Utrechts)
  9. bol an, taatjen (=rustig aan, jongen) (Huizers)
  10. daaj hèttët laevëke vas (=zij heeft een rustig leventje) (Munsterbilzen - Minsters)
  11. dao mós se neet de roebedoeb mèt spele (=daar moet je rustig aan mee doen; je moet op je geld letten) (Heitsers)
  12. dao waers se taam van (=daar word je rustig van) (Heitsers)
  13. daor kunde rustig mee naor smid Dekkers (1960) (=dit moet nodig gemaakt worden) (Oudenbosch)
  14. De daag kómme op um rij (=rustig aan, morgen is er weer een dag) (Genneps)
  15. de kieks mèr (=denk maar rustig na) (Munsterbilzen - Minsters)
  16. de moes nie wille lope vërdaste kons goên (=alles moet je rustig aanpakken of opbouwen) (Munsterbilzen - Minsters)
  17. de sop wiëd nauts zoe heet gedroenke..... (=neem tijd om rustig af te wachten) (Munsterbilzen - Minsters)
  18. De wereld is niet raozend emeuken (=Doe maar rustig aan) (Giethoorns)
  19. De wereld is niet razend emeuken (=Doe maar rustig aan) (Giethoorns)
  20. die kunde nou rustig laote petije (=die kun je nu verder met rust laten) (Oudenbosch)
  21. Doe mar kalm an, wi-j hebt tegelieke oldejoarsdag (=Doe maar rustig aan, we hebben gelijktijdig oudejaarsdag) (Sallands)
  22. Doe mor wa kalmkes (=Doe maar wat rustig aan) (Lils )
  23. doe's kuum (=doe is rustig) (Zwartebroeks)
  24. doede gij ies ruustig aon (=doe eens rustig aan) (Kaatsheuvels)
  25. doet mér zietsjës aoën (=werk maar rustig door) (Munsterbilzen - Minsters)
  26. Doo-t hènig an (=Doe het rustig aan) (Twents)
  27. E es zen perewetten ont spelen (=Iemand die streken uithaalt of niet rustig is) (Liedekerks)
  28. één gien strobreed ien 'e weg legg'n (=iemand rustig laten geworden) (Westerkwartiers)
  29. een zuver geweet'n is 't beste kopkuzz'n (=wie eerlijk leeft kan rustig slapen) (Westerkwartiers)
  30. eerst de kat uut de boom kiek'n (=eerst alles rustig overzien) (Westerkwartiers)
  31. ei slopt gullèk een roûs (=hij slaapt rustig en vast) (Sint-Niklaas)
  32. en nouw oudoe eige koest (=en nu moet je verder rustig blijven) (Oudenbosch)
  33. ge kuntur nou rustig mee vor d n dag komme (=vertel nu maar hoe het zit) (Oudenbosch)
  34. haag zën hiësës mér goed kiel, das goed heil goed vër lijf en ziel (=blijf altijd rustig en bezonnnen) (Munsterbilzen - Minsters)
  35. haat tich koesj, alleen kalmte kan dich reddë (=blijf vooral rustig (koest) en kalm) (Munsterbilzen - Minsters)
  36. haatech koesj (=blijf rustig) (Munsterbilzen - Minsters)
  37. haawt oe gemak tòch es (=hou je toch eens rustig) (Tilburgs)
  38. Hae taffeldje d' r röstig haer (=rustig ergens naar toe lopen) (Weerts)
  39. haj net zoe (=rustig aan maar) (Kanners)
  40. haod dich keduuk (=houd je rustig) (Heitsers)
  41. haosj uch mer neet, 't börtj nog nerges (=doe maar rustig aan, haast je maar niet) (Weerts)
  42. heanig an doe (=rustig aan doen) (Vechtdals)
  43. hendig an doon (=Doe het maar rustig aan) (Achterhoeks)
  44. hij dee 't doodgemoedereerd (=hij deed het heel rustig aan) (Westerkwartiers)
  45. hij scharrelt mooi wat deur (=hij gaat mooi rustig zijn gang) (Westerkwartiers)
  46. Hij/zij is aan 't uitbollen (=Iemand die fin de carrière is en het rustig aan doet) (Melseels)
  47. hoaj dich keduuk (=hou je rustig) (Kessels)
  48. Ie mut oe koest hollen (=Je moet je rustig houden) (Hoogeveens)
  49. ielek op zenen toer (és niks te viël) (=rustig aan!) (Bilzers)
  50. ielek op zenen toer és niks teviël (=rustig aan, één voor één, aub) (Bilzers)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen