1.fier, trots, overmoedig (VD: preuts 1) Voorbeeld: ‘Ze zag er blijgestemd uit, preus naar het scheen, hier tussen al die jonge manskerels, alleen als meisje te zitten’ Voorbeeld: ‘Vader en moeder hadden er niets tegen: ze waren preus op hunne dochter die gekleed ging gelijk een steedse juffrouw’ 2.o...