Doorverwezen van gewoond > wonen Toon zonder doorverwijzing

wonen

werkw.
Uitspraak:  [wonə(n)]
Vervoegingen:  woonde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gewoond (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

ergens je huis, appartement of etage hebben en daar permanent leven
Voorbeeld:  `in Amsterdam wonen`
Synoniem:  gehuisvest zijn
klein wonen  (een kleine woning hebben)
op stand wonen  (in een deftige buurt wonen)
op jezelf gaan wonen  (uit het ouderlijk huis gaan en in een eigen woning gaan leven)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
gehuisvest zijn gevestigd zijn leven logeren resideren verblijven woon

Spreekwoorden en zegswijzen
• ketters wonen het dichtst bij de paus (=de beste vrienden van een machtig man zijn vaak zijn grootste vijanden)
• in een glazen huis wonen (=iets op zijn kerfstok hebben - schuld hebben)
Naar de spreekwoorden

7 definities op Encyclo
  1. er je woning hebben vb: hij woont al een jaar in Amsterdam Synoniemen: huizen huisvesten
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: ow. [gelijkvloeiend] (ik woonde, heb gewoond), verblijf houden, gehuisvest zijn. *...NER, m. (-s), bewoner, inwoner. *...NING, v. (-e...
  3. Een van de branchegroepen. Deze branche verkoopt artikelen die met wonen te maken hebben.
  4. • [inerg] een permanente behuizing hebben.
  5. 1) Gehuisvest zijn 2) Gevestigd zijn 3) Huisvesten 4) Huizen 5) Leven 6) Logeren 7) Nestelen 8) Onder dak zijn 9) Resideren 10) Tabernakelen 11) Verblijf houden 12) Verbl...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op wonen:
bewonenbijwoneninwonenscheefwonensamenwonenuitwonen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
wonen (gehuisvest zijn)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `wonen` kennen.