Doorverwezen van gevaren > varen Toon zonder doorverwijzing

I de varen

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  ['varə(n)]
Verbuigingen:  varen|s (meerv.)

groene plant met lange bladeren met sporen


II varen

werkw.
Uitspraak:  ['varə(n)]
Vervoegingen:  voer (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gevaren (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) je met een boot over het water bewegen
Voorbeeld:  `op de Noordzee varen`

2)
ergens wel bij varen  (in een situatie zijn dat het goed met je gaat)
een plan laten varen  (een plan niet door laten gaan)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
bevaren het maken kanoën lopen navigeren zeilen zwerven

Spreekwoorden en zegswijzen
• wie scheep is moet varen (=als je ergens aan begonnen bent moet je er mee voortdoen)
varen waar de grote mast vaart (=klakkeloos de baas volgen)
• onder valse vlag varen (=zich voordoen als een ander of zich anders voordoen)
• met iemands schuitje varen (=hetzelfde lot ondergaan)
• in iemands kielzog varen (=het net zo doen als iemands voorganger)
Toon alle 7 spreekwoorden die varen bevatten

12 definities op Encyclo
  1. [Vergeten woorden] (zw. -de), vervaren 1) vrezen, bang zijn 2) vrees aanjagen, verschrikken 3) belagen, overrompelen [in vervaarlijk, onvervaard, ? varen ‘voortbewegen