Doorverwezen van uitkleedde > uitkleden Toon zonder doorverwijzing

uitkleden

werkw.
Uitspraak:  œytkledə(n)]
Vervoegingen:  kleedde uit (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft uitgekleed (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) kleren uitdoen
Voorbeelden:  `de kinderen uitkleden`,
`je snel uitkleden`
Antoniem:  aankleden
de pensioenvoorzieningen uitkleden  (de pensioenvoorzieningen tot een minimum beperken)

2) te veel laten betalen
Voorbeeld:  `Dat zijn oplichters; ze kleden je helemaal uit.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
afzetten ontkleden strippen uitdoen uittrekken van kleding ontdoen

Spreekwoorden en zegswijzen
• zich uitkleden voor men naar bed gaat (=alles weggeven voor men sterft)
• iemand tot op zijn hemd uitkleden (=alles van iemand afnemen, een te hoge prijs laten betalen)
Naar de spreekwoorden

2 definities op Encyclo
  1. kleren uit (laten) doen vb: zij kleedde de kinderen uit en hij bracht ze naar bed Tegenstellingen: aankleden kleden veel te veel laten betalen vb: pas op, want die marktk...
  2. 1) Afzetten 2) Beroven 3) Depouilleren 4) Flessen 5) Kleren uittrekken 6) Minder verstrekkend maken van een voorstel 7) Ontbloten 8) Ontkleden 9) Oplichten 10) Plunderen ...
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
uitkleden

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `uitkleden` kennen.