Doorverwezen van tamboers > tamboer Toon zonder doorverwijzing

de tamboer

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [tɑm'bur]
Verbuigingen:  tamboer|s (meerv.)

iemand die op een trommel slaat
Voorbeeld:  `een drumband met vijftig tamboers`
Synoniem:  trommelaar

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
trommelaar

18 definities op Encyclo
  1. kleine rondom verdedigbare versterking, direct buiten de omwalling gelegen, ter directe verdediging van een toegang Tamboer, samengesteld uit palissades, omgeven door wol...
  2. Ook: koepeltrommel. Bij een koepeltoren het ronde of veelhoekige gedeelte tussen de open ruimte en de koepel. Bij de afbeelding van het interieur van het Pantheon in Rom...
  3. Let op: Spelling van 1858 tambour, Fr., eene trommel; trommelslager; ook eene met schietgaten voorziene soort van ligte verschansingen aan muurwerk. Tamboeren, trommelen;...
  4. Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. (-s), trommelslager. ~, v. trommel. ~EN, ow. [gelijkvloeiend] (ik tamboerde, heb getamboerd), op de trommel slaan; [figuurlijk] op i...
  5. Let op: Spelling van 1914 Zie DANSEN.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met tamboer:
tamboerdetamboerdentamboereertamboereerdetamboereerdentamboereerttamboerijntamboerijnentamboerstamboert

Herkomst volgens etymologiebank.nl
tamboer (trommelaar)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 93% van de Nederlanders en 95% van de Vlamingen het woord `tamboer`.