Doorverwezen van gepraat > praten Toon zonder doorverwijzing

praten

werkw.
Uitspraak:  [ˈpratə(n)]
Vervoegingen:  praatte (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gepraat (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) met je mond woorden uitspreken
Voorbeeld:  `binnensmonds praten`
praten met volle mond  (praten terwijl je eet)
Jullie hebben makkelijk praten!  (jullie hebben zelf niet de problemen waar we over spreken)

2) een gesprek voeren
Voorbeeld:  `praten over het weer`
Er valt met haar niet te praten.  (zij is onredelijk)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
babbelen communiceren converseren discussiëren een conversatie hebben fluisteren in contact staan kakelen klappen kletsen kouten kwebbelen kwekken kwetteren praat snateren spreken wauwelen zwammen zwijgen (antoniem)

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn mond voorbij praten (=meer zeggen dan dat er gezegd mag worden en/of het verklappen van een geheim)
• voor stoelen en banken praten (=maar weinigen die naar iemands verhaal luisteren)
• uit zijn nek praten (kletsen) (=onzin verkopen)
• recht praten wat krom is. (=door een ingewikkelde, onjuiste redenering een onzuivere situatie, daad of besluit trachten van een rechtvaardiging te voorzien.)
praten als een ekster (=veel praten)
Toon alle 11 spreekwoorden die praten bevatten

Intensiveringen
Hoe kun je praten krachtiger uitdrukken?
honderduit praten; iemand de oren van het hoofd praten; praten als Brugman
Uitdrukkingen die praten betekenen (waarin het woord zelf niet voorkomt):
aflopen als een wekker; iemand de oren van zijn kop zagen;

6 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: ow. [bedrijvend werkwoord] [gelijkvloeiend] (ik praatte, heb gepraat), spreken, babbelen, snappen; wat praat (zegt) hij daar? hij weet ...
  2. woorden uitspreken, iets zeggen vb: Kees is een jaar en hij kan nog niet praten laat hem maar praten [je moet je niets van hem aantrekken] praat me d'r niet van [ik wil e...
  3. •zich met behulp van de stem uiten.
  4. 1) Babbelen 2) Communiceren 3) Communiceren met anderen 4) Converseren 5) Dibberen 6) Discussiëren 7) Fluisteren 8) Geluid van papegaai 9) Iets zeggen 10) Kakelen 11) Ka...
  5. het maken van een deal tussen renners tijdens de koers, wie gaat voor het klassement en wie voor de etappezege gaat bijvoorbeeld
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op praten:
aanpratenbijpratengoedpratenmeepratennapratenompratenuitpratenbepraten

Herkomst volgens etymologiebank.nl
praten (spreken)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `praten` kennen.