Doorverwezen van gekookt > koken Toon zonder doorverwijzing

koken

werkw.
Uitspraak:  [ˈkokə(n)]
Vervoegingen:  kookte (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gekookt (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) (van vloeistoffen) bij een bepaalde temperatuur gaan borrelen en verdampen
Voorbeeld:  `De melk kookt.`
inwendig koken  (woedend zijn)

2) (voedsel) gaar maken door het heet te maken
Voorbeelden:  `aardappels koken`,
`een gekookt eitje`

3) (voedsel) voor consumptie klaarmaken
Voorbeeld:  `Indisch koken voor beginners`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
borrelen boven 100 graden zijn de maaltijd bereiden eten bereiden gaarkoken klaarmaken kokerij kokkerellen woedend zijn zieden

Spreekwoorden en zegswijzen
• in zijn eigen vet gaar koken (=aan zijn lot overlaten (iemand die iets misdaan heeft))
• in zijn eigen sop gaar laten koken (=aan zijn lot overlaten (iemand die iets misdaan heeft))
• iemand in zijn eigen sop gaar laten koken (=iemand niet helpen, maar zelf diens situatie laten ondervinden)
• er is nog nooit een kok gevonden die koken kan voor alle monden. (=je kunt het niet iedereen naar de zin maken.)
Naar de spreekwoorden

Intensiveringen
Hoe kun je met koken een ander begrip versterken?
koken van woede;

18 definities op Encyclo
  1. Koken gebeurt zelden of nooit bij vis, op uitzondering van de vissoepen zoals bijvoorbeeld de Zuid-Franse bouillabaisse na. In plaats van in gezouten water ( 15gr zout pe...
  2. Het bereiden van voedsel in water of een andere vloeistof bij een temperatuur van 100°C
  3. Het bereiden van voedsel in water of een andere vloeistof bij een temperatuur van 100°C.
  4. engelse vertaling: boiling Proces waarbij een stof overgaat van de vloeistoffase in een gasfase.
  5. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bedrijvend werkwoord] en ow. [gelijkvloeiend] (ik kookte, heb gekookt), door ophoping van warmtestof vocht in koking brengen; spijzen ...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op koken:
verkokeninkokenoverkokenafkoken

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. koken (neiging hebben te braken)
  2. koken (stuiken)
  3. koken (verhitten, spijzen toebereiden)


Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `koken` kennen.