Doorverwezen van kakelden > kakelen Toon zonder doorverwijzing

kakelen

werkw.
Uitspraak:  [ˈkakələ(n)]
Vervoegingen:  kakelde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gekakeld (volt.deelw.)

1) (van kippen) geluid maken
Voorbeeld:  `Als ze zo kakelt, heeft ze een ei gelegd.`

2) (van mensen) hard praten, vaak zonder veel kennis
Voorbeelden:  `Wat zitten jullie te kakelen, wees eens wat rustiger.`,
`En maar kakelen over normen en waarden.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
babbelen klappen kletsen kwaken kwebbelen kwekken kwetteren praten snateren spreken wauwelen zwammen

Intensiveringen
Hoe kun je met kakelen een ander begrip versterken?
kakelbont;

4 definities op Encyclo
  • het roepen van kippen Jaar van herkomst: 1477 (Teuth. )
  • Geluiden die kippen maken. Alternatieven: kakelend
  • tok tok roepen vb: de kippen zaten te kakelen op hun stokken hard en druk praten vb: wat zaten die moeders weer te kakelen
  • 1) Babbelen 2) Dierengeluid 3) Druk babbelen 4) Druk praten 5) Geluid van een kip 6) Geluid van kippen 7) Kippengeluid 8) Klappen 9) Kletsen 10) Kwaken 11) Kwebbelen 12) ...
  • Toon uitgebreidere definities

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    kakelen (kippengeluid maken, snateren)