Doorverwezen van hagen > haag Toon zonder doorverwijzing

de haag

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  [hax]
Verbuigingen:  hagen (meerv.)

afscheiding van struiken of bomen
Voorbeeld:  `beukenhaag`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
barst breuk heg knak knik liguster rij

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn kap over de haag hangen (=uittreden uit klooster of priesterschap)
• de kap over de haag smijten (=zijn priester- of kloostergelofte verbreken)
Naar de spreekwoorden

10 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: v. (hagen), hegge; eene dichte -; [spreekwoord] het roer in de - steken, weglopen, deserteren; den -, (verkorting van 's Gravenhage). ~...
  2. Uit `De lagere vaktalen: De steenbakkerstaal` 1914 rij opeengestapelde steenen om verder te drogen.
  3. heg Jaar van herkomst: 889 (Künzel )
  4. omheining van struiken vb: er zat een merel in de haag te broeden een haag vormen [de mensen in een rij opstellen]
  5. •'haag'; op een rij naast elkaar geplaatste personen of zaken
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met haag:
haagbeukhaagbeukenHaagsHaagsehaagthaagwinde

Deze woorden eindigen op haag:
behaagmishaag

Herkomst volgens etymologiebank.nl
haag (omheining met struiken, heg)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `haag`.