Doorverwezen van cumuleerbaar > cumuleren Toon zonder doorverwijzing

cumuleren

werkw.
Uitspraak:  [kymy'lerə(n)]
Vervoegingen:  cumuleerde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gecumuleerd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

(met andere dingen) bij elkaar optellen, zich opstapelen
Voorbeelden:  `spaargeld en rente cumuleren tot een flink bedrag`,
`een ex-politicus die veel commissariaten in het bedrijfsleven cumuleert`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
opeenhopen opstapelen

8 definities op Encyclo
  1. samenvoegen van verschillende percelen of kavels bij een verkoop
  2. Let op: Spelling van 1858 ophoopen, opstapelen
  3. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bedrijvend werkwoord] [gelijkvloeiend] (ik cumuleerde, heb gecumuleerd), opeenhopen, opstapeleng; cumulatie van ambten, het gelijktijd...
  4. • [erga] zich opstapelen, ophopen. • het samenvoegen van verschillende percelen of kavels bij een verkoop. • [ov] ("Vlaanderen") een bepaald ambt of functie combine...
  5. [Belgisch Nederlands] verschillende ambten gelijktijdig uitoefenen
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op cumuleren:
accumuleren

Herkomst volgens etymologiebank.nl
cumuleren (opeenhopen)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 87% van de Nederlanders en 96% van de Vlamingen het woord `cumuleren`.