Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

2 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `zijn broek`

  1. aan zijn broek krijgen (=ermee opgescheept worden)
  2. het in zijn broek doen (=in de broek plassen van schrik of van het lachen)

Het dialectenwoordenboek kent 27 spreekwoorden met `zijn broek`

  1. Niel: ajei woater in zaane kelder (=zijn broek is te kort)
  2. Ursels: 't stoa woadre in zijne keldre (=zijn broek is te kort)
  3. Bilzers: hae hèt wotter ènne kaller (=zijn broek is te kort)
  4. Oudenaards: d'r stoa woater in zijne keldre (=zijn broek is te kort)
  5. Hals: ei èèt woeter in zèè keljer (=zijn broek is te kort)
  6. Lichtervelds: broeksje, woa goaj mé da vintje (=zijn broek is veel te groot)
  7. Waregems: 't stoa woatre in zijne keldre (=zijn broek is te kort)
  8. Opwijks: eit wauter in zenne kelder (=zijn broek is te kort)
  9. Ninoofs: A eet woeëter in zanne keljer (=zijn broek is te kort)
  10. Ninoofs: Bockstoeël es doeë (=zijn broek is te kort)
  11. Bilzers: zen hoj es ont dreige (=zijn broek staat open)
  12. Denderleeuws: d'er leit moor in tkesjken (=hij heeft in zijn broek gedaan)
  13. Munsterbilzen - Minsters: zen broek ès op vekanse (=zijn broekskruis hangt wat laag)
  14. Oudenbosch: ijeet de vlag uit (=zijn hemd komt uit zijn broek)
  15. Ransts: ga mut nog gon hoewe zejker (=iemand die zijn broek heeft laten open staan)
  16. Leeds: in lee wor da den nond zen broek afdee (=in lede waar den hond zijn broek af deed)
  17. Aalsters: Oi eit in zèn broek gezjikt/ E eedem bepist (=Hij heeft in zijn broek geplast)
  18. Niel: ajei woater in zanne kelder (=zijn broek is veel te kort)
  19. Clings: ei lietem uit zijn broek angen. (=Hij was verotwaardigd.)
  20. Lebbeeks: kelder: Ei èi wauter in zijne kelder (=zijn broek is te kort)
  21. Bilzers: asofter én zen broek ho(ch) gezeek (=alsof hij in zijn broek had geplast)
  22. Hams: Tegen zijn gat / in zijn broek (=Dat zal niet waar wezen)
  23. Boakels: hai fietst mi nu zeimlere lap in zun bôks, tiggen d'n blikhers (=hij fietst met een zeemleren lap in zijn broek (tegen schrale billen))
  24. Ransts: wadist goodde verhoazen, want aa hande zen al ingepakt (=iemand die met zijn handen in zijn broekzakken staat)
  25. Clings: ei lietem uit zijn broek angen. (=Hij was verontwaardigd.)
  26. Hansbeeks: Doar ee 't ij zijn broek aan gescheurd (=Daar heeft hij verlies aan geleden)
  27. Antwerps: de wolke hange¨liëg 't zal nog goan regene (=als bij iemand het kruis van zijn broek te laag hangt)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen