Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

5 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `zake`

  1. advocaat van kwade zaken (=wie slechte zaken verdedigt)
  2. gedane zaken hebben geen keer (=wat voorbij is, keert niet meer weer)
  3. kleine oorzaken, grote gevolgen (=kleine dingen kunnen grote gevolgen hebben)
  4. nooit troef verzaken (=overal bij zijn, altijd meedoen)
  5. zijn neus in andermans zaken steken (=zich bemoeien met zaken die je niet aangaan)

54 betekenissen bevatten `zake`

  1. Van de os op de ezel springen (=1: Slechte zaken doen. 2: Tegenspoed kennen)
  2. in het donker zijn alle katten grijs/grauw (=als de situatie niet duidelijk is, zijn de zaken niet goed te beoordelen)
  3. als honden konden bidden zou het kluiven regenen (=als is een niet ter zake doende opmerking)
  4. als de zon een mestvaalt beschijnt, dan verspreidt deze een onaangename geur (=als je met goede wil ergens te veel aandacht aan besteedt kan het verkeerd opgevat worden. / Met alle goede wil van de wereld kun je sommige zaken nog niet verbeteren)
  5. wie hoog klimt kan laag vallen (=belangrijke zaken snel kwijt raken door kleine dingen)
  6. ons kent ons (=betrekkelijk afgesloten clubje mensen dat onderling de zaken regelt)
  7. onder de pannen zijn (=de (geld)zaken goed voor elkaar hebben)
  8. de puntjes op de i zetten (=de details erbij zetten - orde op zaken stellen)
  9. de eigen boontjes doppen (=de eigen zaken regelen zonder hulp van anderen)
  10. ook tussen de mooie bloemen groeien brandnetels (=de schoonheid van de omgeving biedt geen garantie voor onaangename zaken)
  11. zijn schaapjes op het droge hebben (=de zaken op orde hebben of voldoende hebben om niet meer te hoeven werken)
  12. oude wijn in nieuwe zakken (=de zaken zijn anders gepresenteerd, maar niet wezenlijk veranderd)
  13. voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast (=door voorzichtig te zijn, gaan tere zaken langer mee)
  14. de lont in het kruit steken/werpen (=een uitbarsting veroorzaken)
  15. een vreemdeling in Jeruzalem zijn (=ergens niet bekend zijn met de gang van zaken of zich ergens niet thuis voelen)
  16. er over oordelen als een blinde over de kleuren (=erover oordelen zonder kennis van zaken)
  17. waar de boom gevallen is, blijft hij liggen (=gedane zaken nemen geen keer)
  18. te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken (=geen kind meer, maar nog te jong voor volwassen zaken)
  19. gestolen goed gedijt niet (=gestolen zaken brengen nooit voordeel)
  20. hij zal mijn koffer niet kruien (=hem zal ik mijn zaken niet toevertrouwen)
  21. wie wat bewaart, die heeft wat (=het bewaren van zaken kan op lange termijn voordelig blijken te zijn)
  22. het is geen aangenomen werk (=het hoeft niet noodzakelijk zo snel te gaan)
  23. Ieder bakt zijn koek zoals hij hem eten wil. (=Iedereen behartigt zijn zaken, op een manier zoals hij dat zelf wil.)
  24. goedkoop is duurkoop (=iets goedkoops kan later kosten veroorzaken, bijvoorbeeld door slechte werking, reparaties of onderhoud)
  25. Als ik ze niet hoef te hoeden laat ik de ganzen ganzen zijn (=Ik bemoei me niet met andermans zaken als het niet hoeft)
  26. in het achterschip geraken (=in zaken achteruit gaan)
  27. een schop van een ezel kunnen verdragen (=je moet het aankunnen dat iemand zonder verstand van zaken kritiek geeft)
  28. Iets door het oog van de schaar halen (=Materiaal van op het werk voor jezelf houden / Jezelf oneerlijk zaken toe-eigenen)
  29. met een kennersblik bekijken (=met kennis van zaken beoordelen)
  30. in grove lijnen (=met vooral aandacht voor de hoofdzaken)
  31. met de deur in huis vallen (=meteen ter zake komen / onmiddellijk over datgene beginnen waarvoor men kwam zonder)
  32. Men eet om te leven, men leeft niet om te eten. (=Niet uitsluitend materiele zaken zijn van belang.)
  33. met kunst- en vliegwerk (=niet volgens de normale gang van zaken)
  34. als hadden geweest is, is hebben te laat. (=niet zeuren over gedane zaken)
  35. nieuwe bezems vegen schoon, maar oude bezems kennen alle hoeken en gaten (=nieuwe medewerkers (of: nieuwe leiders) pakken de zaken grondig aan, maar oude medewerkers (of: oude leiders) weten hoe het moet op grond van ervaring)
  36. over de balk gooien (=onnodig geld uitgeven voor zaken die niet nodig zijn)
  37. een knuppel in het hoenderhok gooien (=opschudding veroorzaken)
  38. ergens paal en perk aan stellen (=orde op zaken stellen)
  39. de vuile was buiten hangen (=over onaangename zaken spreken met buitenstaanders)
  40. ergens de mond vol van hebben (=praten over de zaken die iemand bezighouden)
  41. tegen windmolens vechten (=tegen irreëele gevaren/zaken vechten)
  42. je kunt niet met twee voeten in één sok (=twee onverenigbare zaken kunnen niet worden gecombineerd)
  43. spijkers op laag water zoeken (=uitermate achterdochtig zijn, onprettige opmerkingen maken over onbelangrijke zaken)
  44. Aan een oud dak moet je veel herstellen (=Verouderde zaken vergen nu eenmaal onderhoud)
  45. Hij kan meer dan alleen brood eten. (=Verstand van zaken.)
  46. Eten en drinken is geen beroep / ambacht. (=Werken is noodzakelijk om te kunnen leven.)
  47. Wie niet werkt zal niet eten. (=Werken is noodzakelijk om te kunnen leven.)
  48. wie wind zaait zal storm oogsten (=wie ruzie probeert te veroorzaken zal zelf ruzie krijgen)
  49. advocaat van kwade zaken (=wie slechte zaken verdedigt)
  50. haastige spoed is zelden goed (=zaken in te hoog tempo afwerken vergroot de kans op fouten)

Het dialectenwoordenboek kent 38 spreekwoorden met `zake`

  1. Bilzers: dat hèt niks te mèt te maoke (=dat doet niet ter zake)
  2. Brakels: giejn affirns mee èn (=geen zaken mee hebben)
  3. Lichtervelds: zn zoake floreert (=hij doet gouden zaken)
  4. Zelzaats: 't Goa a nie an (=Het zijn uw zaken niet)
  5. Moes: giën affeiren mee emmen (=zijn je zaken niet)
  6. Bilzers: z'n zaoke gojslon (=zijn zaken waarnemen)
  7. Nijlens: a schiet onder men doaven (=hij wil zaken afnemen)
  8. Bilzers: tot opten droëd versliëte (=helemaal op (pers./zaken))
  9. Antwerps: doar edde giën affaire mè (=dat zijn je zaken niet)
  10. Bilzers: kiek nao zen eege (=bemoei u met uw eigen zaken)
  11. Iepers: Boergondje laeten waai'n (=De zaken op hun beloop laten)
  12. Brakels: oo mijn tante kluut'n haad, twaas mijn noonkel (=gedane zaken hebben geen keer)
  13. Sint-Niklaas: dor edde gè niet mé te moaken!, dor edde geen affjeire mee! (=dat zijn uw zaken niet!)
  14. Sint-Niklaas: dor edde gè geen afjeiren mee (=dat zijn uw zaken niet)
  15. Veurns: klapp'n lik een boeër van ze kleëne patatjes (=achteloos over financiële zaken praten)
  16. Lokers: wolde gulder ulder wulde biesten ne kier binnen oun (=moeit u met uw eigen zaken)
  17. Munsterbilzen - Minsters: tgelèk hink on e zaaje drieëdsje (=geluk hangt van veel zaken af)
  18. Munsterbilzen - Minsters: baeter spijt hëbbe van woste waol gedon, dan van woste nie gedon hëbs (=gedane zaken nemen geen keer)
  19. Bilzers: zou maokeze ze allewaajl nimei (=dat is nog een goed exemplaar (pers./zaken))
  20. Bilzers: haatop mét te mauze én maajn prulle (=hou op met te snuffelen in mijn zaken)
  21. Lokers: der is mieer dan ieen koe die Bloare (h)eet (=meerdere mensen of zaken kunnen dezelfde naam hebben)
  22. Munsterbilzen - Minsters: baeter e naachske triëver sloeëpe aste get vür daste zen plannen uitvoers, dan ternoë wakker te liggen asset te laot ès (=gedane zaken nemen geen keer)
  23. Arnhems: Bemoeije mètje eiguh kejak jung (=Bemoei je met je eigen zaken)
  24. Zeeuws: 't mah wê litte (=Dat treft! (Bij onverwacht samenvallende zaken.))
  25. Veurns: kakk'n goa vooër 't bakk'n (=dringende zaken eerst)
  26. Westerkwartiers: gien olle koei'n uut de sloot hoal'n (=gedane zaken niet weer oprakelen)
  27. Zelzaats: 't Zijn a tantelafaires nie. (=Het zijn uw zaken niet)
  28. Waregems: ie zit in mijn rop'n (=hij moeit zich met mijn zaken)
  29. Lebbeeks: verraplee: Wau es 'n nottoe? Nau verraplee wau da donn'n bass'n nost ele gat. (=Waar is hij naartoe? Ik weet / zeg het niet / je hebt er geen zaken mee)
  30. Genneps: Mit gewè.ld kunde gén gé.jt bókke (=Bepaalde zaken kun je niet forceren)
  31. Texels: Hee het de biêne olweer aardig onder 't lief (=De zaken gaan alweer beter)
  32. Westerkwartiers: je kenn'n gien iezer met hand'n breel'n (=je kunt sommige zaken niet forceren)
  33. Lokers: aalk zijn kouse (=men moet zich niet met andermans zaken bemoeien)
  34. Koersels: knetser (=wie weinig eet of veel zaken niet lust , vooral gezegd van kinderen)
  35. Lebbeeks: Antwoord: `Ons Maroll'n vé rond a nees te kroll'n` (= Geen zaken mee) (=Kindje vraagt: `Wat zijn dat?`)
  36. Klemskerks: te kwiste goan: verloren gaan, gezegd van waardevolle zaken. (=te kwiste gaan)
  37. Lebbeeks: dievel'n: Wau es 'n nottoe? 't Land oët de dievel'n tell'n. (=Waar is hij naartoe? Ik weet / zeg het niet / je hebt er geen zaken mee)
  38. Klemskerks: in 't dek lign: gezegd van zaken die stilgevallen zijn, die geen voortgang boeken. Bv. Doordat ik met mijn been in de plaaster zit, ligt mijn verbouwing voorlopig in 't dek. (=in 't dek liggen)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen