Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek




105 betekenissen bevatten `weten`

  1. iemand iets aan de neus hangen (=iemand iets vertellen wat die beter niet kan weten)
  2. iemand iets in het oor fluisteren (=iemand iets zachtjes zeggen, heimelijk laten weten)
  3. menen ligt dicht bij Kortrijk (maar verre van Waregem). (=iets menen is niet genoeg; je moet er zeker van zijn. (Dit zeldzame spreekwoord wordt in Oost- en West-Vlaanderen soms gebruikt als ironische reactie wanneer iemand iets meent te weten, door te verwijzen naar de stad Menen, die ver van Waregem, dus de waa)
  4. iets op zijn duimpje weten (=iets van buiten weten)
  5. je kaarten op tafel leggen (=laten weten over welke middelen je beschikt om iets gedaan te krijgen.)
  6. meer dan een pijl op zijn boog hebben (=meerdere oplossingen weten)
  7. men moet straten voor stegen kennen (=men moet weten tot wie men zich wendt)
  8. die staat ziet toe dat hij niet valle. (=mensen die alles denken te weten of kunnen, moeten zelf maar oppassen voor fouten en problemen)
  9. weten van kikken noch mikken (=nergens van weten)
  10. geen haan zal er naar kraaien (=niemand zal het weten)
  11. naar zijn woorden zoeken (=niet goed meer weten wat te zeggen)
  12. uit het lood geslagen zijn (=niet meer weten hoe het verder moet)
  13. het hoofd kwijt (=niet meer weten wat te doen)
  14. het hoofd verliezen (=niet meer weten wat te doen)
  15. het hoofd loopt me om. (=niet meer weten wat te doen (bv bij drukte))
  16. met de mond vol tanden staan (=niet weten wat je moet zeggen / ergens versteld van staan)
  17. met een mond vol tanden staan. (=niet weten wat te zeggen.)
  18. geen sjoege hebben van (=niets weten over)
  19. nieuwe bezems vegen schoon, maar oude bezems kennen alle hoeken en gaten. (=nieuwe medewerkers (of: nieuwe leiders) pakken de zaken grondig aan, maar oude medewerkers (of: oude leiders) weten hoe het moet op grond van ervaring.)
  20. op de knieën zitten (=onderworpen zijn, geen oplossing meer weten)
  21. van zijn stuk raken (=onzeker worden en niet meer weten wat te zeggen)
  22. tot de jaren des onderscheids komen (=oud genoeg zijn om zelf te weten/mogen wat wel en niet mag)
  23. zweten als een aandrager (=overmatig zweten)
  24. het klappen van de zweep kennen (=precies weten hoe het eraan toegaat, ervaren zijn)
  25. weten hoe de vork in de steel zit (=precies weten wat er gebeurd is)
  26. nu breekt mijn klomp. (=van verbazing niet meer weten wat te zeggen)
  27. veel in zijn mars hebben (=veel aanleg hebben en veel weten)
  28. letters eten (=veel boekenwetenschap opdoen)
  29. heel wat in zijn mandje hebben (=veel geleerd hebben, veel weten)
  30. van alle markten thuis zijn (=veel kunnen en handig zijn of veel weten)
  31. kennis is macht. (=veel weten kan veel invloed betekenen)
  32. niet van gisteren zijn (=veel weten, veel begrijpen en snel doorhebben)
  33. uit zijn lood geslagen zijn (=verbaasd zijn, niet goed meer weten hoe het verder moet)
  34. met stille trom vertrekken (=vertrekken zonder iemand het te laten weten)
  35. aan alles een kleurtje weten te geven (=voor alles wel een uitleg weten)
  36. voor elke naald een draad hebben (=voor elk probleem een oplossing weten)
  37. voor elke spijker een gat weten (=voor elk probleem een oplossing weten)
  38. voor ieder gat een spijker hebben (=voor elk probleem een oplossing weten)
  39. een vreemdeling in kanaan zijn (=weinig weten over het besproken onderwerp)
  40. weten uit welke hoek de wind waait (=weten hoe het in elkaar zit, wie de baas is)
  41. weten waar Abraham de mosterd haalt. (=weten hoe iets in zijn werk gaat; dingen goed snappen.)
  42. weten wat de klok slaat (=weten hoe laat het is)
  43. weten hoe laat het is (=weten hoever het staat)
  44. weten wat voor vlees men in de kuip heeft (=weten met wat voor iemand men te doen heeft)
  45. zijn pappenheimers kennen (=weten met wie men te maken heeft)
  46. prijs stellen op (=weten te waarderen, graag willen)
  47. daar wringt de schoen (=weten waar het probleem zit)
  48. weten waar de schoen wringt (=weten waar het probleem zit)
  49. weten waar het schoentje knelt/wringt (=weten waar het probleem zit)
  50. iemand zien aankomen (=weten waar hij over zal beginnen, zich er alvast tegen wapenen)

Het dialectenwoordenboek kent 114 spreekwoorden met `weten`

  1. Westerkwartiers: doar wiest doe meer van ! (=weten - daar weet jij meer van !)
  2. Westerkwartiers: zij stekt overaal heur neus ien (=zij wil altijd alles weten)
  3. Westerkwartiers: dat wis't niet wiet'n (=dat wil je niet weten)
  4. West-Vlaams: God macht weten (=Er is niemand die het ooit gaat weten)
  5. Westerkwartiers: 'k wil wiet'n wat veur vlees ik ien 'e kuup heb (=ik wil weten wat ik daar aan heb)
  6. Rotterdams: Hij is met de muziek mee naar Gouda (=Iemand die weg, en waarvan ze niet weten waar hij is)
  7. Zeeuws: uut zn neuze bloen (=nergens van af weten)
  8. Mestreechs: de poet stief hawwe (=van geen wijken weten)
  9. Waregems: van pijgns weedn (=van niets weten)
  10. Iepers: e wit va toetn of bloazen (=van niks weten)
  11. Lovendegems: zijne plan trekken (=zich weten te redden*)
  12. Westerkwartiers: dat wilst niet wiet'n (=dat wil je niet weten)
  13. Gents: ij vroagt 't ei uit eu gat (=hij wil alles weten)
  14. Tilburgs: höllieje paa môoget nie weete. (=haar vader mocht het niet weten.)
  15. Brakels: ge ziejln't vazeleven nie klap'n (=je zult het nooit weten)
  16. Munsterbilzen - Minsters: Meine lik èn de Vlonders (=Menen is nog niet zeker weten)
  17. Mestreechs: weite, este mèr gèt wits! (=weten, als je maar wat weet!)
  18. Westerkwartiers: doar kraait gien hoan noar (=daar komt niemand iets van te weten)
  19. Tilburgs: hèj za-r wèl blèèf meej weete (=hij zal er wel weg mee weten)
  20. Westerkwartiers: hij dut 'et teeg'n beder wiet'n ien (=hij doet het tegen beter weten in)
  21. Munsterbilzen - Minsters: de moes tich op tijd autte viet maoke (=je moet op tijd weten hoe laat het is)
  22. Tilburgs: ge mot ut intèts laote weete (=je moet het tijdig laten weten)
  23. Bilzers: gelijk hübste, mér zwijge moeste (=we weten het nu allang : je hebt groot gelijk)
  24. Westerkwartiers: wel 't wiet maag 't zegg'n (=weten - wie het weet mag het zeggen)
  25. Kinrooi: Waat Zjefke neet lieërtj zal Zjefke noeëts wete. (=Wat Jefke niet leert zal Jefke nooit weten.)
  26. Gavers: ei zit doar gelijk nen uil op nen kluit (=voor zich uitstaren, niet weten wat beginnen)
  27. Lichtervelds: ze geboarn van koo (=ze doen alsof ze van niets weten)
  28. Steins: Doe kèns waal emes veur de kop kieke, meh neet d'rinne. (=wat een ander denkt, kun je niet weten)
  29. Giethoorns: dat mag bessie weten (=weet ik veel)
  30. Munsterbilzen - Minsters: aste daud bès, wiët iedereen get van dich (=een vriend is iemand die tijdens je leven je vertelt, wat anderen na je dood van je weten te vertellen)
  31. Munsterbilzen - Minsters: zene nauwsjierëge bestoje (=alles willen weten en zien)
  32. Munsterbilzen - Minsters: iemes et himme vannet lijf vroëge (=alles willen weten van iemand)
  33. Sittards: Es Joep et neit wit, wit geine et (=Dat mag Joost weten)
  34. Tilburgs: ge wit ôot nôot ! (=je kunt het maar nooit weten)
  35. Oudenbosch: nie wete waorut mart is (=niet weten hoe of waar te beginnen)
  36. Waregems: entwa weet'n van oor'n ze(g)n (=iets weten via via)
  37. Gelaens (Geleens): Wie kump d'r duvel aan ein zeel? (=Joost mag het weten.)
  38. Munsterbilzen - Minsters: zene kattekismes kinnen (=weten hoe het precies moet)
  39. Buggenhouts: zeine bek in zein ploimen haven (=weten waneer men 'terecht 'moet zwijgen)
  40. Zeeuws: di mo k er of plumen van en (=daar moet ik het mijne van weten)
  41. Veurns: Vernesteld zien mi ' en(d)s (=Een zaak niet weten te ontwarren)
  42. Evergems: Tsop uit oa ol vroan. (=Hij moet alles tot in de détails weten.)
  43. Diesters: dieë hijt er gin oeëre noar (=hij wil er niet van weten)
  44. Munsterbilzen - Minsters: ich höb mér één aur on ielke kant (=ik kan ook niet alles weten)
  45. Aalters: ge komt gij van Koanegem zekre (=iets niet weten of doen alsof men het niet weet)
  46. Bilzers: nie wiëte van wo hoot pijle maoke (=niet weten wat aan te vangen)
  47. Maldegems: van toetn noch blaazn weten (=geen idee hebben)
  48. Oudenbosch: dan mot oeweige betets late n-ore (=als je het maar op tijd laat weten)
  49. Waregems: wa wete 'k ik da! (=ik kan dat toch niet weten! (repliek))
  50. Bilzers: tiëge de mier opkraupe van mesiëre (=door alle ellende niet meer weten wat beginnen)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen