Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek




71 betekenissen bevatten `werken`

  1. maandag houden (=niet werken op Maandag)
  2. die niet omziet is haast teniet (=overhaastig werken leidt tot ongelukken)
  3. iemand de voet dwars zetten (=tegenwerken)
  4. arbeid adelt (=van hard te werken word je een nobeler/beter mens)
  5. zich uit de naad werken (=veel werken, zijn uiterste best doen)
  6. eendracht maakt macht (=wanneer mensen samenwerken kan men veel bereiken)
  7. Eten en drinken is geen beroep / ambacht. (=werken is noodzakelijk om te kunnen leven.)
  8. Wie niet werkt zal niet eten. (=werken is noodzakelijk om te kunnen leven.)
  9. werken zolang het dag is (=werken zo lang iemand kan)
  10. die niet werkt, zal niet eten (=wie bewust niet wil werken heeft geen recht op geld)
  11. Vlugge eters zijn vlugge werkers. (=Wie snel kan eten, kan ook snel werken.)
  12. Rap met de tanden, is rap met de handen. (=Wie snel kan eten, kan snel werken.)
  13. haastige spoed is zelden goed (=zaken in te hoog tempo afwerken vergroot de kans op fouten)
  14. het zijn twee hoofden onder een kaproen (=ze verstaan elkaar volkomen , ze werken samen)
  15. twee handen op een buik (=ze werken samen, ze denken er hetzelfde over)
  16. twee hoofden onder een kaproen (=ze werken samen, ze denken er hetzelfde over)
  17. werken als een paard (=zeer hard werken)
  18. zich een strop om de hals halen (=zich in de problemen werken)
  19. zijn ellebogen gebruiken (=zich ten koste van anderen opwerken)
  20. binnen zijn (=zoveel verdiend hebben dat iemand niet meer hoeft te werken)
  21. in goede dorpen zijn/geraken (=zoveel verdiend hebben dat iemand niet meer hoeft te werken)

Het dialectenwoordenboek kent 121 spreekwoorden met `werken`

  1. Tilburgs: ik doe m'n affeseerschoenen oan (=ik ga voort werken)
  2. Mestreechs: tege gaas geve (=niet mee werken)
  3. Veurns: ze spa op ze rik dragen (=niet (veel) werken)
  4. Antwerps: oan den boaard trekke (=traag werken)
  5. Lichtervelds: we meugn uzze siek ofdroajn (=we moeten hard werken)
  6. Bilzers: seg de pleures würke (=zich dood werken)
  7. Munsterbilzen - Minsters: zen knieëk aofvringe (=zich dood werken)
  8. Aalsters: zen kloeiten afdroiën (=hard werken)
  9. Ransts: zan botte afdroa (=hard werken)
  10. Bilzers: zen kni (=hard werken)
  11. Veurns: werken knie over elleboge (=Hard werken)
  12. Munsterbilzen - Minsters: doë kraajg ich de ziëmele van ! (=de tandarts begon deftig op mijn zenuwen te werken)
  13. Westerkwartiers: die moet d'r haard veur sappel'n (=die moet er hard voor werken)
  14. Bilzers: aste ént bootsje zits, moeste métroeje (=je doet er beter aan door mee te werken)
  15. Westerkwartiers: wel slept ien 'e zaaitied, krigt honger (=men moet werken voor zijn brood)
  16. Zeeuws: Me gaon ons péérd kééren (=We gaan stoppen met werken, we gaan draaien)
  17. Bilzers: de dinks toch nie dattech de gebrojde haenkes zoumér énde mond koëme valle (=Voor eten moet je werken)
  18. Bilzers: werken is voor dommeriken (=ik hou van werken want ik kan er uren naar kijken)
  19. Lebbeeks: kloeët'n: Zijn kloeët'n afdroën (=Hard werken)
  20. Munsterbilzen - Minsters: spaaj es èn zen haan (=begin eens te werken)
  21. Munsterbilzen - Minsters: mèt moejte et zaad op zen iërappel verdiene (=bijna gratis werken)
  22. Munsterbilzen - Minsters: de zuls hel moette krabbe/kretse (=je zult hard moeten werken)
  23. Moorsel: Lotsj ge de boere mo dessn (=Laat de anderen maar werken)
  24. Sint-Katelijne-Waver: Mee nen bidon naa twerk (=Met een drinkbus gaan werken)
  25. Waregems: me zitt'n and'n travoo (=we zijn aan grote werken bezig)
  26. werkendams: Bettie ak um aai? (=Bijt hij ( de hond/kat) als ik hem aai?)
  27. Werkendams: Van wies zijde gij d'r éne (=Van wie ben jij er een)
  28. Liemers: De geestelijkheid hiel toen de minse ze bang - de ontvangers hiel de minse toen arm - de schoolmeisters hiel de minse toen dom - en de baze hiel de de minse toen muuj - Zo zat de feodale samelaeving in de Liemers toendertied now eenmaol in mekaar dah `t nie anders könte. (=Zwaar werken hoef je niet meer zoals vroeger.)
  29. Westlands: Hij werkte zich het schompus (=keihard werken)
  30. Munsterbilzen - Minsters: zen knieëk aofvringe (=hard werken)
  31. Munsterbilzen - Minsters: zen kas aofvringe (=hard werken)
  32. Munsterbilzen - Minsters: zene strank aofvringe (=hard werken)
  33. Westlands: godganse dag het leplazerus werreke (=Hele dag hard werken)
  34. Munsterbilzen - Minsters: mèt zen klak treën goje (=onnauwkeurig werken)
  35. Opglabbeeks: inne pêt wêrke (=in de mijn werken)
  36. Zottegems: schuppe afkuisen (=stoppen met werken)
  37. Arendonks: ew botteh afdrooieh (=moe van't werken)
  38. Westerkwartiers: ze waark'n as gekk'n (=ze werken in een ijltempo)
  39. Overrepens: wereke as e pjaad (=werken als een paard)
  40. Munsterbilzen - Minsters: Moetekes (=kalveren) ston ènde stal, mér kaaver lope ieëveral (='t zijn alleen dommeriken die werken)
  41. Munsterbilzen - Minsters: doë moet ich mich e tijdsje vër kroemp lègge (=daar moet ik een poosje voor werken)
  42. Munsterbilzen - Minsters: doë bèste nog nie mèt vië(r)dig (=dat zal nog hard werken zijn !)
  43. Giethoorns: De plezierbroek moei-j mit de waarkbroek verdienen (=Eerst werken ,dan feest vieren)
  44. Westerkwartiers: men moet roei'n met de riem'n die men het (=men moet naar vermogen werken)
  45. Londerzeels: e gae loëpe'n va zé werk lék nen ond va zaine stront (=slordig en snel werken)
  46. Tilburgs: we zun zôo de schuup schôonvèège. (=we zullen zo ophouden met werken.)
  47. Bilzers: mét zen haan én zene sjaut, kraaj(g)ste naut(s) braud (=zonder werken geen geld)
  48. Westerkwartiers: ze moet'n d'r haard veur ploeder'n (=ze moeten er hard voor werken)
  49. kortemarks: jee nog noît e strooj van dêirde gerapt (=hij is te lui om te werken)
  50. Bilzers: aander vër zen kaar spanne (=anderen voor zich laten werken)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen