Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


Het dialectenwoordenboek kent 62 spreekwoorden met `vuil`

  1. Leefdaals: brekken een brek (kind dat ...) (=op straat spelen en zich vuil maken)
  2. Lokers: \ (=Over vlekken maken)
  3. Evergems: De vuilste verkens wil’n altijd ’t schuuënste strüét. (=Die het minst verdient, wil steeds het schoonste en beste deel.)
  4. Gents: Oazek eu zegge: vuilbak of scheel uupe, tons willek eu uure (=Ik zou graag hebben dat je nu toch een tijdje stil bent.)
  5. Tilburgs: as plöddeke vööl de kaomer doe, dan stinke alle huukskes (=als een vuil, slordig iemand de kamer doet, stinkt het overal)
  6. Leefdaals: z'ei vuil gest oan uir gat hange en pretmadam, chèr en chol (=hovaardige dame)
  7. Lebbeeks: oeilenbrander: Zoeë zwèt as nen oeilenbrander (=Zo zwart als roet / heel vuil)
  8. Sint-Niklaas: vuil aa ros (=venijnige vrouw (= scheldwoord))
  9. Sint-Niklaas: vree feel, vree fuil, vree weirm... (=heel veel, heel vuil, heel warm...)
  10. Westlands: me klauwe benne vuil (=ik heb vieze hande)
  11. Sint-Niklaas: 't vuil weg doen in den of (=onkruid verwijderen in de tuin)
  12. Drents Kanoals: vuil mie roppig in de piinze (=voel me niet helemaal lekker)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen