Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


35 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `van het`

  1. aan de rand van het graf staan (=bijna dood zijn)
  2. aan de rand van het ravijn bloeien de mooiste bloemen (=de beste resultaten dragen tegelijkertijd de grootste risico`s)
  3. aan gene zijde van het graf (=na de dood)
  4. bulken van het geld (=geld in overvloed hebben)
  5. dat is de aard van het beestje (=dat is typisch iets voor die persoon; zo zit hij of zij nu eenmaal in elkaar)
  6. dat is het begin van het einde (=dat is het begin van iets dat uiteindelijk verkeerd zal aflopen)
  7. de aard van het beestje (=het karakter van iemand)
  8. de draad van het verhaal opnemen (=het verhaal of de taak verderzetten op de plaats waar eerder gestopt was)
  9. de kaart van het land kennen (=de omstandigheden kennen)
  10. de mei van het leven (=de bloeitijd van het leven)
  11. door de mazen van het net glippen/kruipen (=op het nippertje ontsnappen)
  12. een pak van het hart (=een grote opluchting)
  13. Een ridder van het lui paard zijn (=steeds smoesjes verzinnen en de schuld buiten jezelf leggen)
  14. een stuip krijgen van het lachen (=schaterlachen)
  15. het einde van het liedje (=het einde van iets goeds)
  16. het is niet om de knikkers maar om het recht van het spel (=het is niet voor persoonlijk voordeel, maar omwille van de rechtvaardigheid)
  17. het kaf van het koren scheiden (=het waardevolle van het waardeloze scheiden)
  18. Hij laat zich de kaas niet van het brood eten. (=Opkomen voor iets.)
  19. iemand de kroon van het hoofd nemen (=iemand te schande maken)
  20. iemand de oren van het hoofd eten (=bij iemand erg veel eten)
  21. Iemand de oren van het hoofd eten. (=Zeer veel eten.)
  22. iemand het hemd van het lijf vragen (=erg nieuwsgierig zijn en alles van iemand proberen te vragen)
  23. iemand van het hoofd tot de voeten meten (=iemand heel nauwkeurig onderzoeken)
  24. iemand van het kastje naar de muur sturen (=iemand voor niets heen en weer laten lopen)
  25. luisteren naar groeien van het gras (=erg lui zijn)
  26. met de klompen van het ijs blijven (=zich met iets niet inlaten)
  27. Niet van het ene brood tot het andere weten te geraken (=Niet rond kunnen komen)
  28. om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren (=pas als men iets ernstig meemaakt, weet men op wie men kan vertrouwen)
  29. omwille van het smeer likt de kat de kandeleer (=omwille van het loon doet men een werk)
  30. tussen de mazen (van het net) vissen (=creatief te werk gaan)
  31. van het padje af zijn (=in de war zijn, malende / prettig gestoord zijn)
  32. van hetzelfde laken een pak (=dezelfde soort aanpak of respons)
  33. zich de kaas niet van het brood laten eten (=zich de voordelen niet zomaar laten afpakken)
  34. zich de kaas van het brood laten eten (=zich laten ontnemen waarop men recht heeft)
  35. zich van het lijf houden (=van zich afhouden, niet aanvaarden)

33 betekenissen bevatten `van het`

  1. wat de heren wijzen moeten de gekken prijzen (=aan beslissingen van het hoger gezag moet men zich onderwerpen)
  2. een oude rot in het vak (zijn) (=alles van het vak afweten en alles weten hoe te doen)
  3. grijze haren zijn kerkhofsbloemen (=als je grijze haren krijgt, ben je niet zo ver van het kerkhof)
  4. om kaneelwater lopen (=beuzelwerk doen - van het kastje naar de muur gestuurd worden)
  5. de kurk waarop de zaak drijft (=de basis (steun) van het geheel)
  6. de mei van het leven (=de bloeitijd van het leven)
  7. de draad kwijt zijn (=de loop van het verhaal niet meer kunnen volgen)
  8. op de pianist schieten (=de onschuldige (de brenger van het nieuws) straffen)
  9. de leer veroordelen maar de leraar sparen (=de wortel van het probleem niet aanpakken)
  10. het klopt als een bus (=deze uitdrukking is een contaminatie van het sluit als een bus met: het klopt als een zwerende vinger)
  11. is de paus katholiek? (=een antwoord op een vraag waarvan het antwoord overduidelijk `Ja` is)
  12. de knoop doorhakken (=een beslissing forceren. (Afgeleid van het verhaal van de Gordiaanse knoop))
  13. het is kruis of munt, zei de non en ze trouwde de bankier (=een keuze voor het materiële kan ten koste gaan van het spirituele)
  14. een tipje van de sluier oplichten (=een klein stukje van het onbekende onthullen)
  15. het tij keren (=een ontwikkeling stoppen. Bijvoorbeeld ten aanzien van het toenemen van zinloos geweld. Zie getij)
  16. zijn koetjes op het droge hebben (=genoeg (geld) hebben voor de rest van het leven)
  17. de schapen van de bokken scheiden (=het goede van het slechte scheiden)
  18. Het is maar hoe de kaarten vallen (=Het hangt van het lot af)
  19. het kaf van het koren scheiden (=het waardevolle van het waardeloze scheiden)
  20. zich een ongeluk lachen (=hetzelfde als `In een deuk liggen`, niet meer bijkomen van het lachen)
  21. ieder vist op zijn getij (=iedereen maakt gebruik van het geschikte ogenblik)
  22. een pater goedleven (=iemand die van het leven geniet)
  23. het in zijn broek doen (=in de broek plassen van schrik of van het lachen)
  24. omwille van het smeer likt de kat de kandeleer (=omwille van het loon doet men een werk)
  25. van a tot z (=van het begin tot het einde /met alles erop en eraan)
  26. bokkensprongen maken (=van het een op het ander springen - zotte sprongen maken)
  27. het is hollen of stilstaan (=van het ene uiterste in het andere belanden)
  28. hollen of stilstaan (=van het ene uiterste in het andere vallen)
  29. van stuurboord naar bakboord zenden (=van het kastje naar de muur sturen)
  30. heel wat op zijn kerfstok hebben (=veel dingen misdaan hebben (afgeleid van het gebruik om schulden bij een café te registreren door kerfjes in een stok te snijden))
  31. ex cathedra (=volgens uitspraak van het hoogste gezag (meestal de paus))
  32. adel verplicht (=wie in aanzien bij het volk staat, moet ook aan de verwachtingen van het volk voldoen)
  33. op eigen wieken drijven (=zich volledig kunnen redden van het geld dat iemand verdient)

Het dialectenwoordenboek kent 81 spreekwoorden met `van het`

  1. Bilzers: vande priëkstoel toomele (=aankondiging van het kerkelijk huwelijk)
  2. Maas en waals: fizulummie (=bepaald deel van het lichaam)
  3. Geels: iejene van de hoewege boeweme (=iemand van het opz)
  4. Munsterbilzen - Minsters: sjokke vannet laachte (=schudden van het lachen)
  5. Kaatsheuvels: van de waai aaf (=van het veld af)
  6. Westfries: dik en don (=vol van het eten)
  7. Liwwadders: dat mantsje is fan 'e klets, bruunwerker (=hij is van het handje (homo))
  8. Gents: achter oens trekke ze de liere op (=profiteer van het leven)
  9. Zeeuws: van essen tennen (=van het begin tot het einde)
  10. Bilzers: van den aandre kant (=van het andere geslacht)
  11. Bilzers: spaor ze laeve mér nie ze geld (=beter een buikje van het zuipen dan een bult van het werken)
  12. Eesjdens: V'r hoeele de kaoeter mit waoeter van 't taoek van de sjtaoesie (=We halen de kater met water van het dak van het station)
  13. Ninoofs: een gezicht gelek as een afgelekt saroepbroeiken (=bleek van het schrikken)
  14. Gents: achter oens trekke ze de liere op (=geniet van het leven want ...)
  15. Lichtervelds: tis geld int woatre gesmeetn (=het is zonde van het geld)
  16. iepers: z'en moet'n schreep'n (=de vuiligheid van het lichaam geschraapt)
  17. Munsterbilzen - Minsters: dae ès autte körf gevalle (=die is niet van het gezin)
  18. West-Vlaams: t'is een bjele (=een afbreking van het toekomstig huwelijk)
  19. Brakels: van de wirgoa (=van het zelfde laken een broek)
  20. Eesjdens: De musje valle van ut doak. (=De mussen vallen van het dak ( het is heel warm ))
  21. Evergems: Vryn dat thoaar deur zijn mutse komt. (=De pannen van het dak vrijen.)
  22. Westerkwartiers: je maag'n gien olle poal'n verzett'n (=men mag niets van het oude veranderen)
  23. Valkenswaards: un bietje teveul van ’t goeie (=een beetje teveel van het goede)
  24. Rillaars: koren pikken of afpikken (=Het graan op het veld handmatig van het veld afsnijden)
  25. kortemarks: achtr uus trekkn ze de lêir up (=geniet van het leven want het duurt maar even)
  26. Oudenbosch: er un goeie snok aon geve (=alvast een goed stuk van het werk doen)
  27. Lichtervelds: tis oolsan van aj en oej (=hij klaagt van het minste ongemak)
  28. Culemborgs: De putjies vannet toffeltie greun varreve (=De pootjes van het tafeltje groen verven)
  29. Munsterbilzen - Minsters: tbèste pieëd van de stal (=de beste van het hele gezelschap)
  30. Weerts: eemes de peerike oet zien naas haale (=Iemand het hemd van het lijf vragen)
  31. Hulsters (NL): iemand d'oren van zain kop zaghen (=iemand zijn oren van het hoofd zeuren)
  32. Sittards: Eemes läöker in de zökke kwatsje (=Iemand de oren van het hoofd kletsen)
  33. Gents: van Pier noar Pol gezonde zein (=van het kastje naar de muur gestuurd)
  34. Genneps: Iedereen wat van het verkensgat (=eerlijk delen)
  35. Achterhoeks: Slok reep'n. Repen=strengen van het paardentuig. (=Weinig inspanning leveren.)
  36. Westerkwartiers: 'k heb pien ien 't lief van 't lach'n (='k heb buikpijn van het lachen)
  37. Zeeuws: Voorbeeld: Je èt er die gaon in 'Olland gaon werkn (=dubbel gebruik van het werkwoord gaan)
  38. Deinzes: een zende (=deel van het geslacht varkensvlees voor de helper)
  39. Waregems: 'k un ee geeën ezelke die geld skijt (=ik bulk niet van het geld)
  40. Munsterbilzen - Minsters: iemes de peirenge autte naos haole (=iemand het hemd van het lijf vragen)
  41. Diesters: ne komejenschater (=iemand die naar de middelbare schhol van het gemeenschapsonderwijs gaat)
  42. Zottegems: van den nest tot 'n ende (=van het begin tot aan het einde)
  43. Axels: van ess'n 't enn'n (=van het begin tot het einde, helemaal)
  44. ninoofs: van 't kasken noër de mier gestierd wèren (=van het kastje naar de muur gestuurd worden)
  45. Tilburgs: hè gôojde meej ut miske van ut mèske nò-t möske (=hij gooide met het mesje van het meisje, naar het muisje)
  46. Ransts: diej hemme ze een biësje in heur oeër gezet (=zwangere vrouw waarvan de vader van het kind met de noorderzon verdwenen is)
  47. Geels: ne kostganger, e kosmeens (=iemand van het opz)
  48. Genneps: van het bed op 't stroj kómme (=achteruit boeren)
  49. Sallands: As 't kop van de rompe is eske'jn, is 't biest dood. (=Als de kop van het lichaam is geschieden, is het dier dood.)
  50. Munsterbilzen - Minsters: één van diës kan ich wir alle spirkes van den aatermoeëd bijeen raeke (=binnenkort moet ik weer alle sprietjes van het namaaisel bijeen harken)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen