Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

2 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `te werk`

  1. voorzichtig te werk gaan. (=)
  2. wie plast tegen de kerk, gaat gevaarlijk te werk (=een wandaad met verstrekkende gevolgen)

16 betekenissen bevatten `te werk`

  1. aan de slag gaan (=beginnen te werken, starten)
  2. de rijpste pruimen zijn geschud. (=belangrijkste werk is gedaan of grootste deel van de oogst is binnengehaald)
  3. tussen de mazen (van het net) vissen (=creatief te werk gaan)
  4. paarden die haver verdienen krijgen ze niet. (=de mensen die het hardste werken, krijgen het minste geld)
  5. met onwillige honden is het slecht hazen vangen. (=het is moeilijk om samen te werken met mensen die niet willen)
  6. hij maakt er een potje/soepie van. (=hij gaat niet ordelijk te werk.)
  7. er is geen goed garen mee te spinnen. (=iemand die niet in staat is goed samen te werken)
  8. iemand in het gareel slaan (=iemand dwingen voor je te werken)
  9. goedkoop is duurkoop. (=iets goedkoops kan later kosten veroorzaken, bijvoorbeeld door slechte werking, reparaties of onderhoud.)
  10. men moet rijden en omzien (=men moet voorzichtig te werk gaan)
  11. met voeten treden (=overtreden, niet opvolgen / onbehouwen te werk gaan.)
  12. er met de botte bijl op inhakken (=ruw te werk gaan)
  13. arbeid adelt. (=van hard te werken word je een nobeler/beter mens)
  14. kijken hoe de hazen lopen (=voorzichtig te werk gaan, eerst afwachten hoe de verhoudingen blijken te liggen.)
  15. binnen zijn (=zoveel verdiend hebben dat iemand niet meer hoeft te werken)
  16. in goede dorpen zijn/geraken (=zoveel verdiend hebben dat iemand niet meer hoeft te werken)

Het dialectenwoordenboek kent 11 spreekwoorden met `te werk`

  1. Munsterbilzen - Minsters: spaaj es èn zen haan (=begin eens te werken)
  2. Zurriks: Er mej de blök dorhenne goan (=Onbehowwen/lomp te werk gaan)
  3. Westerkwartiers: langzoam an, den brekt 't liendje niet (=niet overhaast te werk gaan)
  4. kortemarks: jee nog noît e strooj van dêirde gerapt (=hij is te lui om te werken)
  5. Munsterbilzen - Minsters: doë kraajg ich de ziëmele van ! (=de tandarts begon deftig op mijn zenuwen te werken)
  6. Bilzers: aste ént bootsje zits, moeste métroeje (=je doet er beter aan door mee te werken)
  7. Westerkwartiers: ik zet heur noar mien haand (=ik leer haar op mijn manier te werken)
  8. kortemarks: je werkt teegn de jukte (=hij heeft niet veel zin om te werken)
  9. Bilzers: Hébben és hébbe, mér krijge éste kuns (=zonder te werken zul je niet veel bezitten)
  10. Munsterbilzen - Minsters: ter mèt zen klak noë goje (=niet de moeite doen om correct te werken)
  11. Munsterbilzen - Minsters: dae et langste laef hètten heile werd on zen kloete (=je wordt schatrijk als je maar gek bent om lang te werken)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen