Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

13 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `tande`

  1. de tanden laten zien (=zich heel erg fel verdedigen)
  2. die de minste tanden hebben, kauwen het meest (=de domste mensen voeren gewoonlijk het hoogste woord)
  3. ergens zijn tanden inzetten (=vasthoudend zijn, niet snel opgeven)
  4. haar op de tanden hebben (=van zich af kunnen bijten)
  5. liggen de handen dan liggen de tanden (=wie niet werkt verdient niet genoeg om te eten)
  6. met de mond vol tanden staan (=niet weten wat je moet zeggen / ergens versteld van staan)
  7. met het mes tussen de tanden (=wanneer alles op het spel staat)
  8. met lange tanden eten (=met tegenzin eten)
  9. Rap met de tanden, is rap met de handen. (=Wie snel kan eten, kan snel werken.)
  10. Tot de tanden bewapend (=Zwaar bewapend)
  11. tot de tanden gewapend (=tot het uiterste bewapend)
  12. Vrouwenhanden en paardentanden staan nooit stil. (=Een vrouw is altijd wel wat aan het doen)
  13. zijn tanden laten zien (=tonen dat men niet bang is, van zich afbijten; stevig uitvaren; streng zijn)

5 betekenissen bevatten `tande`

  1. die is niet voor de poes (=die moet als tegenstander niet onderschat worden)
  2. Parijs is wel een mis waard (=om een voordeel te behalen bij tegenstanders aansluiten)
  3. Ook een raspaard schijt als een karhengst. (=Rangen en standen maken mensen niet meer of minder waard)
  4. de klok achteruit zetten (=terug naar oude toestanden gaan)
  5. de hakken in het zand zetten (=zich opstellen als felle tegenstander van een voorstel of ontwikkeling, zonder de bereidheid te zoeken naar positieve aspecten of naar compromissen)

Het dialectenwoordenboek kent 34 spreekwoorden met `tande`

  1. Sint-Niklaas: zèn tanden uitkoteren (=met een tandenstoker zijn tanden reinigen)
  2. Opglabbeeks: 't ein met tander (=mekaar)
  3. Gents: den diene zijne rugge is uuk nat als gij tschiept, zijn ien uuge zegt foert tegen tandere (=iemand die scheel kijkt)
  4. Deinzes: pemelen (=met lange tanden eten)
  5. Veurns: Op ze sjieke biet'n (=Op zijn tanden bijten)
  6. Rotterdams: Je vreetstenen schrobben (=tanden poetsen)
  7. Sint-Niklaas: teen en tander (=het een en het ander)
  8. Brakels: der stoat dor tin en tander (=er staat daar veel rommel)
  9. Gents: tien buiten tander (=alles in aanmerking genomen)
  10. Sint-Niklaas: 't is teen en tander (=het is me wat)
  11. Giesbaargs: tes tieen of tander (=het is het een of het ander)
  12. Munsterbilzen - Minsters: zen taan lotte zien (=haar op zijn tanden hebben)
  13. Zeeuws: k bin w e hauw verlehen me nie lank (=mond vol tanden)
  14. Zeeuws: Zun tandn lieken we un afgebrand durpje (=Zijn tanden zijn bruine stompjes)
  15. Luyksgestels: un knoelie (=vrouw met haar op de tanden)
  16. Zeeuws: klets klets klandere van tie -en billetje op tandere (=deeg met de handen kneden)
  17. Steenwijks: tiesen (=met lange tanden eten)
  18. Alblasserdams: tege heugemeug eten (=met lange tanden eten)
  19. Stekens: 't is daar nogal teen en tander eh. (=dat is daar nogal wat he.)
  20. Heezers: Zun bakkus is net un afgebraand durrup (=Hij heeft een mond vol slechte tanden)
  21. Fries: hier oppe tosken (=haar op de tanden)
  22. Waregems: j'es peetse skoartentand (=hij mankeert enkele tanden)
  23. Munsterbilzen - Minsters: pikke waajen hin (=met lange tanden eten)
  24. Weerts: met mien moel vôl tang (=met mijn mond vol tanden)
  25. Merenaars: konijnentannen: werom ejje zulke gruuëte konijnentannen - omda'k neig kan luuëpen (=grote tanden)
  26. Liedekerks: E eit do tiejen en tander geskoept (=Hij heeft daar vanalles wat gestolen)
  27. Oudenbosch: edder veul motte laote snokke ? ( bij de Gud aon ut spoor 1950 ) (=heb je veel tanden moeten laten tr ekken ?)
  28. Westfries: kauwe as 'n aap op knikkers (=met lange tanden eten)
  29. Diesters: dieën ijt hoar oep zen tande; das ne specioal,dië lot ni op zenen kop schijte ( zitte ), tes ginne sumpele (=het is geen gemakkelijke persoon)
  30. Overmeers: ne mond tanden (=een vals gebit)
  31. Gents: kstoa mee mane moend vol tanden (=iemand die de juiste woorden niet vind)
  32. Lochristis: é weet van toet'n of bloiz'n (=hij staat met zijn mond vol tanden)
  33. Gents: hoar op eu tanden hén, kbein nen Genteneere (=afbijten of doorstaan)
  34. Munsterbilzen - Minsters: zit zau nie te sjêrve (=zit zo niet met je tanden over mekaar te schuren)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen