Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


81 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `t op`

  1. (iets) staat op losse schroeven. (=het is onzeker, er valt niet op te bouwen.)
  2. aan zijn eerste leugen niet gebarsten en voor zijn tweede niet opgehangen zijn (=een grote leugenaar zijn)
  3. Aken en Keulen zijn niet op een dag gebouwd (=niet alles is onmiddellijk klaar - even geduld)
  4. Aken en Keulen zijn niet op één dag gebouwd. (=voor een uitgebreide klus heb je meer tijd nodig)
  5. breek me de bek niet open. (=begin daar maar niet over, want daar kan ik heel veel negatieve dingen over vertellen.)
  6. dat heb ik nog nooit op een klomp horen spelen. (=dat is al te gek.)
  7. dat is huilen met de pet op. (=bedroevend resultaat.)
  8. dat loopt op zijn einde (=het is bijna afgelopen)
  9. dat staat op de agenda. (=dat gaat nog gebeuren; dat gaat nog besproken worden.)
  10. de dader ligt op het kerkhof (=de schuldige is niet te vinden)
  11. de eerste stoot opvangen (=de eerste problemen opvangen)
  12. de hort op zijn (=op pad zijn)
  13. de kat op het spek binden. (=iemand volop de gelegenheid geven zich te vergrijpen aan wat hij wil, maar beslist niet mag hebben.)
  14. de mast opkrijgen (=zich weten te redden)
  15. de pot op kunnen (=in geen geval krijgen)
  16. de soep wordt nooit zo heet gegeten, als zij wordt opgediend. (=er worden meestal minder zware maatregelen toegepast dan was aangekondigd.)
  17. de speelman zit op het dak (=ze zijn pas gehuwd, hebben nog geen zorgen)
  18. die vlieger gaat niet op. (=die gedachte gaat niet lukken)
  19. een hoge borst opzetten (=eigenwijs en hoogmoedig zijn)
  20. er is maar een grote mast op een schip (=er is er maar één de baas)
  21. ergens prat op gaan (=erg trots over iets zijn en er over opscheppen)
  22. geen hoge pet op hebben van (=geen hoge dunk hebben van)
  23. heel wat op zijn kerfstok hebben (=veel dingen misdaan hebben (afgeleid van het gebruik om schulden bij een café te registreren door kerfjes in een stok te snijden).)
  24. het geld groeit niet op de rug (=geld komt niet zomaar binnen, er moet hard voor gewerkt worden)
  25. het hart op de goede plaats hebben (=een oprecht en menslievend karakter hebben)
  26. het hart op de lippen hebben (=over zijn emoties durven praten - alles zeggen wat men denkt)
  27. het hart op de rechte plaats hebben (=eerlijk zijn)
  28. het hart op de tong dragen (=direct zeggen wat iemand denkt, ongeacht of dat slim is of niet)
  29. het hart op de tong hebben (=meteen vertellen wat je bezig houdt.)
  30. het hart ophalen aan (=ergens van genieten)
  31. het is altijd vet op een andermans schotel (=een ander heeft het schijnbaar altijd beter)
  32. het is knudde met de pet op (=het is triestig / het lijkt nergens op)
  33. het niet op iemand hebben (=iemand niet goed kunnen verdragen)
  34. het op de heupen hebben (=slecht gehumeurd raken/zijn / op geestdriftige wijze iets doen / zenuwachtig, verstoord zijn)
  35. het op de klompen aanvoelen (=achterafgepraat - Dat had men kunnen weten)
  36. het op de lippen hebben (=het net willen zeggen)
  37. het op de zenuwen hebben (=zenuwachtig zijn)
  38. het op een akkoordje gooien. (=met elkaar afspreken iets op een bepaalde manier aan te pakken.)
  39. het op iemand begrepen hebben (=iemand goed kunnen verdragen / iemand is altijd de pineut)
  40. het op iemand gemunt hebben (=steeds dezelfde persoon die ergens last van heeft)
  41. het op iemand niet begrepen hebben (=iemand niet vertrouwen)
  42. het op je boterham krijgen (=een stevig standje incasseren.)
  43. het op zijn pantoffels/sloffen afkunnen (=het gemakkelijk aankunnen)
  44. het zwart op wit hebben (=in geschreven of gedrukte vorm. Gedocumenteerd.)
  45. hij heeft het op zijn heupen (=hij gaat zich vreemd gedragen.)
  46. hij is niet op z'n achterhoofd gevallen. (=hij is behoorlijk slim; hij heeft iets wel in de gaten.)
  47. hij werkt op zijn elf-en-dertigst. (=erg langzaam werken)
  48. ieder vist op zijn getij (=iedereen maakt gebruik van het geschikte ogenblik)
  49. iemand met open armen ontvangen (=erg hartelijk ontvangen worden)
  50. iemand met open armen ontvangen. (=heel blij zijn met iemands komst en dat ook laten merken.)

89 betekenissen bevatten `t op`

  1. een mens lijdt dikwijls het meest door het lijden dat hij vreest. (=(doch dat nooit op zal dagen. Zo heeft men meer te dragen, dan God te dragen geeft. Nic. Beets))
  2. op de vingers kijken (=(Op een vervelende manier) scherp toezien hoe iemand iets doet, zodat elke fout direct opgemerkt wordt.)
  3. vele handen maken licht werk. (=als een karwei samen wordt opgepakt is het snel en gemakkelijk gedaan)
  4. de toon aangeven (=bepalen welke richting het op gaat)
  5. dat is ver van mijn bed óf Dat is een ver-van-mijn-bed-show. (=dat is iets waar ik me helemaal niet mee bezighoud; dat is iets dat op grote afstand van hier gebeurt.)
  6. dat komt als mosterd na de maaltijd. (=dat komt op een moment dat het geen nut meer heeft)
  7. dat is lood om oud ijzer. (=dat komt op hetzelfde neer; dat brengt geen werkelijke verbetering)
  8. de boer op gaan (=de (niet-fysieke) markt opgaan om iets te verkopen / verdwalen / de stad verlaten)
  9. de aanval bloedt dood (=de aanval komt geleidelijk uit op een mislukking.)
  10. in het honderd sturen/lopen (=de boel met opzet mis laten lopen, in de war laten lopen)
  11. zijn oren laten hangen (=depressief zijn, het opgeven)
  12. iets door de vingers zien (=doen alsof de fouten van een ander niet opgemerkt worden)
  13. een straatje zonder eind (=een eindeloos proces, iets wat nooit ophoudt)
  14. het gemeste kalf slachten (=een groot feest opzetten / het beste en lekkerste eten op tafel zetten)
  15. een krop opzetten (=een hoge borst opzetten - een fiere houding aannemen)
  16. eerlijk duurt het langst. (=een leugen komt op den duur altijd uit, maar de waarheid blijft altijd waar)
  17. de steen der wijzen zoeken (=een oplossing zoeken voor iets wat bijna niet op te lossen is)
  18. de beer is los. (=er gebeurt opeens van alles; er ontstaat ruzie of paniek.)
  19. zolang er leven is, is er hoop. (=er is altijd hoop, dus geef nooit op!)
  20. ergens geen oog voor hebben (=er niet op letten)
  21. geen oog hebben voor (=er niet op letten)
  22. elke gek heeft zijn gebrek. (=er valt op iedereen wel iets aan te merken)
  23. op iets dood blijven (=erg belust op iets zijn (bv geld -> gierig))
  24. ergens een kruisje bij zetten (=ergens attent op maken)
  25. een vaantje strijken (=flauw vallen, sterven, het opgeven)
  26. aan handen en voeten gebonden zijn (=geen kant op kunnen)
  27. met de rug tegen de muur staan (=geen kant op kunnen, hooguit een laatste uitweg)
  28. lest best. (=het beste van alles komt op het einde)
  29. (iets) staat op losse schroeven. (=het is onzeker, er valt niet op te bouwen.)
  30. het is lood om oud ijzer (=het komt op hetzelfde neer)
  31. het roer omgooien (=het op een heel andere manier proberen)
  32. iets zwart op wit hebben (=het op papier hebben staan)
  33. de kolf naar de bal werpen (=het opgeven)
  34. de vlag strijken (=het opgeven)
  35. zijn hoofd in de schoot leggen (=het opgeven)
  36. het zeil strijken (=het opgeven / flauw vallen / van iemand verliezen)
  37. een lans breken voor (=het opnemen voor)
  38. een Augiasstal reinigen (=het opruimen van een vreselijk vuile boel)
  39. het venijn zit hem in de staart (=het slechtste komt op het laatste)
  40. hij is zo gesloten als een oester (=hij doet zijn mond niet open en kan een geheim bewaren)
  41. hij stond te slapen. (=hij lette niet op.)
  42. Hij praat met een hete aardappel in de keel (=Hij praat op een bekakte manier)
  43. elk vogeltje zingt zoals het gebekt is. (=ieder laat zich uit op een wijze die door zijn eigen aard en opvattingen bepaald worden.)
  44. elk ziet door zijn eigen bril. (=ieder ziet het op zijn eigen manier.)
  45. de gaande en komende man. (=iedereen die komt opdagen.)
  46. wel de splinter in het oog van de ander zien, maar niet de balk in het eigen oog. (Mattheüs 7:3-5) (=iemand anders wel bekritiseren, maar eigen gebreken niet opmerken.)
  47. die het grootste hoofd heeft, moet de grootste hoed hebben. (=iemand die het recht heeft op het grootste deel, moet dat ook krijgen.)
  48. iemand iets door de neus boren (=iemand iets niet geven waar hij recht op heeft)
  49. iemand of iets over het hoofd zien. (=iemand niet opmerken, vergeten met iemand of iets rekening te houden, iets niet zien.)
  50. iets uit zijn mond sparen (=iets niet opeten)

Het dialectenwoordenboek kent 15 spreekwoorden met `t op`

  1. Munsterbilzen - Minsters: de vliegende sjijt krijge (='t op zijn heupen krijgen)
  2. Texels: Hee doet 't op sien lieverdjes (=Kalm aan)
  3. Giethoorns: hi-j ef 't op de borstrok (=hij is verkouden)
  4. Bilzers: at 't op sjoëpsjaere aonkimp (=als het erop aan komt)
  5. Veurns: 't op èn ander'n steek'n (=iemand anders de schuld geven)
  6. Mestreechs: opluufte, heer luufde 't op (=optillen, hij tilde het op)
  7. Westerkwartiers: ze koop'n 't op 'e pof (=ze kopen het op afbetaling)
  8. Koersels: As t op schopscheren aankomt (=Als puntje bij paaltje komt)
  9. Munsterbilzen - Minsters: t op nen aandre wille staeke (=iemand anders de schuld geven)
  10. Veurns: 't op ze buuk meug'n schrieven (=Er mogen naar fluiten)
  11. Westerkwartiers: hij het 't op de heup'n (=hij heeft er wel zin in)
  12. Westerkwartiers: hij krigt 't op 'e heup'm (=hij zet zich er nu helemaal voor in)
  13. Veurns: schrief 't op je buuk, je ku 't toen mi j'n emde afvagen (=je kunt ernaar fluiten)
  14. Westerkwartiers: hij dut 't op zien elv'mderdegst (=hij doet het op z'n dooie gemak)
  15. Sint-Niklaas: ge peist da gaalt 't op minne rug groeit zeker (=gij denkt dat ik geld teveel heb zeker)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen