Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


7 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `praa`

  1. de derde man brengt de spraak aan (=drie hebben gemakkelijker een gesprek dan twee)
  2. een Babylonische spraakverwarring (=door elkaar spreken zonder naar elkaar te luisteren en elkaar niet verstaan)
  3. Hij praat met een hete aardappel in de keel (=Hij praat op een bekakte manier)
  4. hij praat visserslatijn (=hij blaast zijn prestaties op)
  5. praatjes vullen geen gaatjes (=met praten alleen komt men er niet, er moet ook wat gedaan worden)
  6. ruggespraak houden (=eerst ergens over moeten overleggen)
  7. van praat komt praat (=een nieuwtje wordt snel verder verteld)

25 betekenissen bevatten `praa`

  1. iemand (niet) voor vol aanzien (=(niet echt) naar iemand luisteren wanneer iemand meepraat)
  2. aan het lijntje hebben/houden (=aan de praat houden / beloven, maar steeds weer uitstellen)
  3. de tongen losmaken (=aanleiding geven tot gepraat)
  4. het op de klompen aanvoelen (=achterafgepraat - Dat had men kunnen weten)
  5. gedeelde smart is halve smart (=als je over problemen praat, dan kan je het makkelijker verwerken / door de problemen/ellende van een ander is het gemakkelijker de eigen problemen/ellende te dragen)
  6. een proefballonnetje oplaten (=Door het doen van een uitspraak de mening van anderen peilen)
  7. een schot voor de boeg (=een uitspraak of vraag als eerste aanzet tot een gesprek of discussie (eigenlijk: een waarschuwingsschot))
  8. geen rook zonder vuur (=er wordt niet over gepraat of er is wel iets van waar)
  9. een vrouw zonder man is als een vis zonder fiets (=feministische uitspraak)
  10. zo glad als een aal (paling) (=geslepen, uitgekookt, iemand die zich overal uitpraat)
  11. het beste paard van stal wordt overgeslagen (=grappige uitspraak wanneer iemand overgeslagen wordt)
  12. visserslatijn (=grootspraak)
  13. iemand uit de tent lokken (=het voor elkaar krijgen dat iemand ergens een uitspraak over doet)
  14. Hij praat met een hete aardappel in de keel (=Hij praat op een bekakte manier)
  15. iemand knollen voor citroenen verkopen (=iemand wat wijsmaken, met praatjes foppen)
  16. zo de wind waait, waait zijn jasje (=iemand zonder principes, die zonder eigen mening anderen naar de mond praat)
  17. ergens een punt aan kletsen (=met een praatje vergoelijken)
  18. een raadsheer met een p (=raadsheer met p is praatsheer, men heeft er niet veel aan)
  19. rad/rap van tong zijn (=snel praten / welbespraakt zijn)
  20. ergens een eind/punt aan breien (=snel tot een afsluiting komen (bijvoorbeeld van een toespraak))
  21. een grote lantaarn, een klein licht (=veel praat, maar weinig verstand)
  22. ex cathedra (=volgens uitspraak van het hoogste gezag (meestal de paus))
  23. als katten muizen, mauwen ze niet (=wanneer je aan het eten bent, praat je niet zoveel)
  24. Wat was hij op zijn paardje. (=Wat werd hij driftig of wat zat hij op zijn praatstoel)
  25. op de koffie komen (=zonder afspraak ergens heen gaan)

Het dialectenwoordenboek kent 84 spreekwoorden met `praa`

  1. Zurriks: Zien muul aafspeule (=praatjes hebben)
  2. Leids: spassies (=praatjes)
  3. Munsterbilzen - Minsters: daaj hërre bebbel steet naut stil (=zij is praatziek)
  4. Amsterdams: Kletsmeier (=praatjesmaker, Iemand die veel onzin uitkraamt)
  5. Turnhouts: zee praais (=ze is in verwachting)
  6. Gronings: proat is gain jenever (=praatjes vullen geen gaatjes)
  7. Weerts: dae hieët völ stroeëj op ziên daak (=veel praatjes hebben)
  8. Brakels: veel toepee op èn (=veel praatjes maken)
  9. Bilzers: das kal van de minse (=dat is een praatje)
  10. Weerts: hae kaltj wi-j dette wiês es (=veel praats, maar hij heeft er geen verstand van)
  11. Izegems: Koede koet is wok koet (=Onnozele praat is ook praat)
  12. Zeeuws: achterover praaten (=hollands spreken)
  13. Leids: Had je spassies dan (=Heb je praatjes)
  14. Roois (Sint-Oedenrode): Dè gift maor praot. (=Daar komen praatjes van.)
  15. Budels: hedde spátjes ? (=iemand die erg veel praatjes (smoesjes) heeft)
  16. Bilzers: daaj hürre bebbel steet naut stil (=die is praatziek)
  17. Bilzers: ze konne baeter vanmech kalle as vanmech aete (=praatjes vullen geen gaatjes)
  18. Westerkwartiers: doar is nog 'n heule praane van (=daar is nog heel veel van)
  19. Zeeuws: ie praat uuteen hekookte kop (=hij praat wartaal)
  20. Munsterbilzen - Minsters: hae doog nie autte roëtte van zen praaj (=hij is ondeugend)
  21. Munsterbilzen - Minsters: op zen praaj krijge (=een donderpreek krijgen)
  22. Zunderts: Maokt dagge wegkomt meej oew gemauw! (=Stop toch eens met die praatjes!)
  23. Munsterbilzen - Minsters: zen praaj volfraete (=zijn buikje vol eten)
  24. Zeeuws: ie praatn achterover (=nederlands sprekend persoon)
  25. Rous (Sint-Genesius-Rode): e klapke doen (=een praatje doen)
  26. Munsterbilzen - Minsters: laud èn zen praaj jaoge (='n kogel in zijn lijf schieten)
  27. Sint-Niklaas: das zever in pakskes; das fla kul (=dat is flauwe praat)
  28. Twents: hee preat plat (=hij praat plat)
  29. Maas en waals: ge lult ut oewen nek (=je praat onzin)
  30. kortemarks: zeet e muule van lintjes (=ze praat veel)
  31. Weerts: gae zootj t'r 'n hoês op bouwe en 'n schiêthoês veltjer op um (=iemands praatjes niet zonder meer geloven)
  32. Munsterbilzen - Minsters: das sjau gekald (=dat is straffe praat)
  33. Koersels: He klapt oppe letter (=Hij praat algemeen Nederlands)
  34. Westerkwartiers: zien bek is ien 'e schiederij (=hij praat aan één stuk door)
  35. Sint-Niklaas: 't is ne zeverjeir (=iemand die flauwe praat vertelt)
  36. Munsterbilzen - Minsters: blüfste doë nau op knabbële ! (=praat eens over iets anders !)
  37. Bilzers: wot hübste tochmér opzen praaj (=wat is er feitelijk aan de hand met u)
  38. Bilzers: das griene kal (=dat is praat om er vanaf te zijn)
  39. Westerkwartiers: die proat an één boksem an deur (=die praat door zonder ophouden)
  40. Budels: gènne praot van maoke (=er geen praat over maken)
  41. Achterhoeks: I-j hebt de köttel veur het gat zitt'n (=Je praat over anderen.)
  42. Bilzers: ich gonnem n klauster trum doen (=hij praat wat veel)
  43. Munsterbilzen - Minsters: das sjaele zever (=dat is zotte praat)
  44. Sint-Niklaas: 'nen broebeljeir (=iemand die onverstaanbaar, binnensmonds praat)
  45. Bilzers: Dae doog èn ze vêl ni!; dae doog èn zen praaj nie (=Die deugt voor niets)
  46. Sint-Niklaas: veur 't oog (de proat) van de mengsen (=om de praat van de mensen te vermijden)
  47. Mechels (BE): as 't schoppeke blèt verliest het zennen beet (=wie praat tijdens het eten verliest zijn eetlust)
  48. Antwerps: azeiwerriswa (=hij praat nonsens)
  49. Tilburgs: ut smoesje is goet mar ut pròtje dugt nie. (=het smoesje is goed maar het praatje deugt niet.)
  50. Munsterbilzen - Minsters: wot hübste toch mèr op zen praaj (=wat mankeert jou eigenlijk)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen