Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


Het dialectenwoordenboek kent 90 spreekwoorden met `pot`

  1. tervurens: neffes de pot pisse (=vreemd gaan)
  2. Genneps: Zo pot, zoo dèkkel (=Zo vader, zo zoon)
  3. Lebbeeks: kak: Kak of giëne kak, de pot op (=Tegen wil en dank / willen of niet..)
  4. Munsterbilzen - Minsters: das ene pot naot (=werkt onder hetzelfde hoedje)
  5. Drents: Ok op een schelle pan past wal een lid (=Geen pot zo scheef of er past een deksel op)
  6. Horster: geej kunt meej d´n hak vioéle (=je kunt me de pot op)
  7. brabants: zijde gij nouw van de pot gerukt!!!! (=ben jij nou mal!!!!)
  8. Bosch: Bende nou helemoal van de pot gerukt (=Iets wat echt niet kan)
  9. Helenaveens: Niffe de pot piese (=Een vergissing maken)
  10. Haarlems: Belazerd, van de pot gerukt/gepleurd (=gek)
  11. Lokers: over de pot springen (=geen eten krijgen)
  12. Beerses: Hij hée neffe de pot gepist (=Hij is vreemd gegaan)
  13. Munsterbilzen - Minsters: kak of gene kak, de pot op ! (=goesting of geen, vooruit !)
  14. Bilzers: de kons michte pot op (=Loop naar de pomp)
  15. Bilzers: rondte pot draeë (=niet op de zaak ingaan)
  16. Brussels: neivest de pot pisse (=ontrouw zijn)
  17. Munsterbilzen - Minsters: (da deeste nie !) op ielek pètsje passe dèkselke (=vraag eens aan die lesbienne wat de pot schaft)
  18. Zeeuws: t is zo pot zo panne (=twee die die op elkaar lijken)
  19. westlands: Ben je helemaal van de pot gepleurt! (=Ben je nou helemaal bedonderd!!)
  20. Westlands: je vreet wat de pot schaft (=je eet wat er is klaargemaakt)
  21. Hulsters (NL): ghe kunt de pot op (=je zoekt het maar uit!)
  22. Waaslands: die eet neefste de pot gepist (=hij heeft vreemd geweest)
  23. Bilzers: kak of gene kak : de pot op ! (=zin of geen zin, het moet !)
  24. Sallands: hi-j/zi-j meg op 'n pot (=hij/zij urineert op het toilet.)
  25. Mechels (BE): kak of giene kak, de pot oep (=zin of geen zin, het moet gebeuren)
  26. Maasbrees: de hoongk in de pot vingen (=ergens te laat voor komen)
  27. Munsterbilzen - Minsters: aete wot de pot sjaf (=niet kieskeurig zijn met eten)
  28. Lokers: over de pot springen (=te laat voor het eten)
  29. Munsterbilzen - Minsters: tès ammel ene pot naot (=ze zijn allemaal gelijk)
  30. Westerkwartiers: ze pizz'n ien één pot (=ze spelen onder één hoedje)
  31. Achterhoeks: bu'j now helemaol van de pot geruk (=iets doen wat absoluut niet kan)
  32. Sevenums: dich kons mich de ruk (pot) op (=je kunt me nog meer vertellen)
  33. Twents: wat leu hebt te vol pot in de asche (=sommige mensen hebben teveel te bepalen)
  34. Kaatsheuvels: hij hèèget knap begaoid / noast de pot gepiest (=hij heeft het goed fout gedaan)
  35. Antwerps: de pot oep (=ik trek me niets meer van U aan)
  36. Antwerps: kak of giene kak, de pot oep (=zin of geen zin, Je moet het doen)
  37. Bilzers: de pot verwit de kéttel datter zwat ziet (=wat je zegt ben je zelf)
  38. Walshoutems: screume (=Houtems volksspel : gespannen koordje waar men vanop een afstand van +/- 5m ver, kwartcenten naartoe gooiden. Degene die het dichts bij de lijn gooide won de pot.)
  39. Sint-Niklaas: ze kunnen allemoal minnen zak opbloazen, ze kunnen de pot, dasse nor de kloûten loûpen! (=het kan mij niks meer schelen!)
  40. kortemarks: kak of gieèn kak de pot up (=je moet het doen met of tegen je zin)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen