Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


35 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `pot`

  1. bij moeders pappot (=thuis)
  2. bij moeders pappot blijven (=thuis blijven - enkel spreken over iets waar men iets over weet)
  3. de hond in de pot vinden (=te laat zijn voor het eten (alles is op))
  4. de pot op kunnen (=in geen geval krijgen)
  5. de pot verwijt de ketel dat die zwart ziet (=een ander aanwijzen als schuldige, terwijl die zelf hetzelfde gedaan heeft)
  6. de poten onder iemands stoel wegzagen (=iemands positie verzwakken)
  7. de vleespotten van Egypte (=een vroegere tijd van grote welvaart)
  8. een potje te vuur hebben staan (=iets onaangenaams te verwachten hebben)
  9. er de dood in de pot zijn (=niets te beleven zijn)
  10. er een potje van maken (=er een janboel van maken)
  11. ergens een potje kunnen breken (=ergens graag gezien zijn)
  12. ergens een potje te vuur hebben staan (=ergens noch wat zeer ongunstigs te verwachten hebben)
  13. Eten wat de pot schaft. (=Eten wat op tafel komt.)
  14. geen pot zo scheef of er past een deksel op (=voor iedereen is wel een levenspartner te vinden)
  15. het is één pot nat (=het is allemaal hetzelfde)
  16. hij kan een potje bij hen breken (=van hem wordt veel getolereerd)
  17. iets in de doofpot stoppen (=ergens totaal niet meer over praten, verzwijgen)
  18. in de kleinste potjes zit de beste pommade/zalf (=gezegd van uitzonderlijk kleine personen)
  19. je kunt van mij de pot op (=je doet maar waar je zin in hebt)
  20. Kleine potjes hebben grote oren (=je moet uitkijken met wat je zegt als er kinderen bij zijn)
  21. kleine potjes hebben ook oren (=ook kleine kinderen luisteren mee)
  22. mee-eten uit de grote pot van Egypte (=meegenieten zonder vergoeding)
  23. Men kan beter naar de bakker dan naar de apotheker gaan. (=Eten is gezond, de apotheker bezoek je als je ziek bent.)
  24. men moet geen oude bomen verplanten/verpoten/verplaatsen (=je moet geen oude mensen uit hun vertrouwde omgeving halen)
  25. niet kapot zijn van (=niet veel op hebben met)
  26. op hoge poten (=zeer boos, verontwaardigd)
  27. op ieder potje past wel een dekseltje (=voor iedereen bestaat er een geschikte levenspartner)
  28. op poten staan (=in een brief nergens omheen praten)
  29. op zijn achterste poten gaan staan (=zo veel mogelijk moeite doen / boos worden)
  30. terugverlangen naar de vleespotten van Egypte (=naar de goede tijden terugverlangen)
  31. uit de pot van Egypte eten (=nog thuis eten bij de ouders die voor je zorgen)
  32. vijf poten aan een kalf/schaap zoeken (=iets proberen te vinden dat er niet is)
  33. zich tegoed doen aan de vleespotten (=onterecht mee profiteren)
  34. zo dicht als een pot zijn (=goed kunnen zwijgen/geheimen bewaren)
  35. Zo lang aardappels poten als je mest hebt (=Met iets zo lang mogelijk doorgaan)

17 betekenissen bevatten `pot`

  1. Een morse muur is snel afgebroken (=1: Een slechte zaak gaat niet lang mee. 2: Als iets slecht gemaakt wordt gaat het gemakkelijk kapot)
  2. alles kort en klein slaan (=de hele inboedel kapot slaan)
  3. een aangeklede aap (=een bespottelijk iemand)
  4. stukken maken (=een grote indruk maken , veel kapot maken)
  5. een huis met gouden balken (=een huis met hypotheek bezwaard)
  6. te koop lopen/staan (=er bespottelijk uitzien)
  7. Men kan beter naar de bakker dan naar de apotheker gaan. (=Eten is gezond, de apotheker bezoek je als je ziek bent.)
  8. het is naar de maan (=het is kapot)
  9. een verdieping op zijn huis zetten (=hypotheek nemen)
  10. iemand op de hak nemen (=iemand er tussen nemen (grap uithalen) of spottend over iemand praten)
  11. tot moes slaan (=iets helemaal kapot slaan)
  12. Ergens de gek mee scheren (=Iets of iemand bespotten)
  13. over de doden niets dan goeds (=men ziet kwaadspreken over overledenen als iets heel onbeleefd, er mag niet gespot worden met de dood)
  14. met gouden balken (=met een hypotheek (met lening))
  15. naar de Filistijnen (=reddeloos verloren / kapot)
  16. de gek met iemand steken (=spotten met iemand)
  17. Een snijder heeft maar een darm. (=Spotternij van boeren, die veel meer eten dan de kleermaker.)

Het dialectenwoordenboek kent 90 spreekwoorden met `pot`

  1. Luyksgestels: mee 'n hoag zeil (=op hoge poten)
  2. Budels: mej ow turftraaiers (=met je grote lompe poten)
  3. Moes: zijn potatten goan afgieten (=gaan plassen)
  4. Gents: neevest de pot piessen (=naast de pot pissen)
  5. Munsterbilzen - Minsters: tès nog e kwag joenk (=het kan nog niet op eigen poten staan)
  6. Bilzers: wot de toffel drig (=wat de pot schaft)
  7. Zeeuws: je kan ter anangen (=de pot op)
  8. Brugs: Oldajzegtziejzelve (=de pot verwijt de ketel)
  9. Eindhovens: Wa èteh we vanoavon? èrpel of sloai? HEU STOEL OP VIER! (=Wat eten wij vanavond? Aardappelen of sla? Hallo, zet je stoel op vier poten!)
  10. Hamonter: shiet mich (=ge kunt mij de pot op)
  11. Geels: ge kunt men kloewete kusse (=je kan de pot op)
  12. Hulsbergs: doe kins mich de poekel afroetsje (=je kunt de pot op)
  13. Oudenbosch: mijne zak kunde opblaoze (=je kunt de pot op)
  14. Munsterbilzen - Minsters: lêk men klitse ! (=de pot op !)
  15. Sint-Niklaas: zis goe vurzien van oren è poten (=ze is goed gebouwd)
  16. Brugs: neffest de pot pissn (=vreemdgaan)
  17. tervurens: Bloost em op, kust maain ol, kus maain klute (=de pot op)
  18. Riemsts: De kins mich e' hööpke sjeête! (=Je kan de pot op!)
  19. Heerlens: leck mich im aasj (=je kunt me de pot op)
  20. Tilburgs: dès iedem dietoo van ut zèllefde (=dat is èèn pot nat)
  21. Graauws: de'n ond is over taofel (=de hond in de pot vinden)
  22. Dendermonds: da ze schaite lupt (=ze kan de pot op)
  23. Munsterbilzen - Minsters: dat ze men kloete kisse (=ze kunnen de pot op)
  24. Aspers: ze is goe veurzien van oren en poten (=vrouw met grote borsten)
  25. Achterhoeks: un peerd en un hond hinkt um de stront (=Wanneer een paard of een hond maar iets aan hun poten hebben, lopen ze mank)
  26. Waregems: slicht te pote/ te beeêne zijn (=moeizaam stappen)
  27. Munsterbilzen - Minsters: vant verkeirde soët zin (=een lesbienne vragen wat de pot schaft)
  28. Lebbeeks: piss'n: Nevest de pot piss'n (=Vreemd gaan)
  29. Gents: tussen pot en pinte (=losjesweg)
  30. Sittards: 't Kump aan éin deur oet (=Het is één pot nat)
  31. Tegels: lek mich de zök (=je kunt de pot op)
  32. Kortrijks: Skit in den dik é vint (=Je kan de pot op)
  33. Roermonds: Lék mich am aarsj (=Je kunt mij de pot op)
  34. Oudenbosch: gij kunt de pot op (=je bekijkt het maar)
  35. Brugs: j' eet neevest de pot gepist (=vreemd gaan)
  36. Temse: ij goat der vendeur me zijne steirt tusse zen pote (=bang doorgaan)
  37. brabants: gu mot mee oe poten van m'n jong blijve (=je moet van mijn kind afblijven)
  38. Kortemarks: ge ku ze stoovn, ge ku ze kussn (=je kunt de pot op)
  39. Liwwadders: dou kest mie de haan naaie! (=je kunt me de pot op!)
  40. Genneps: pot wie dèkkel (=Aardje naar zijn vaartje)
  41. Zeeuws: dn ienen henees bie dezalve denaaren bie de pot (=beter worden)
  42. Lichtervelds: je droajt roend de pot (=hij draait er omheen)
  43. Kortemarks: je droajt roend de pot (=hij komt niet terzake)
  44. Westerkwartiers: hij is zo dicht as 'n pot (=hij vertelt echt niets)
  45. Liessents: ge kánt de pot op (=je kan me wat)
  46. Mechels (BE): neuffest de pot pisse (=vreemd gaan)
  47. Graauws: naast de pot pissen (=vreemd gaan)
  48. Lokers: nevest de pot piesen (=vreemd gaan (overspel))
  49. Bachten de kupes: Wiene? 't gat van e bobbiene, 't gat van ne puut, lekt den oend ze tenen uut (=kinderlol: wat? het gaatje van een klos, het achterste van een kikker, lik aan de poten van een hond)
  50. Munsterbilzen - Minsters: èn ene pot pisse (=onder één hoedje spelen)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen