Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

10 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ops`

  1. de kuif opsteken (=kwaad worden)
  2. de peentjes opscheppen (=de boel opruimen)
  3. de vaan van de opstand planten (=`n opstand verwekken)
  4. ergens de vingers voor durven opsteken (=iets durven aanvaarden - zijn verantwoordelijkheid durven opnemen)
  5. ergens zijn tenten opslaan (=ergens verblijven, zich ergens vestigen)
  6. het hoofd opsteken (=zich weer doen opmerken)
  7. met vallen en opstaan (leren) (=door mislukkingen leren)
  8. op de schopstoel zitten (=elk ogenblik ontslagen kunnen worden)
  9. voor het opscheppen hebben (=meer dan genoeg hebben, zonder er iets voor te moeten doen)
  10. zijn bivak opslaan (=ter plaatse blijven)

29 betekenissen bevatten `ops`

  1. de vaan van de opstand planten (=`n opstand verwekken)
  2. vorderen als een luis op een teerton (=erg moeizaam opschieten)
  3. ergens prat op gaan (=erg trots over iets zijn en er over opscheppen)
  4. op goede voet staan met iemand (=goed kunnen opschieten)
  5. hoog van de toren blazen (=het grote woord willen hebben / opscheppen)
  6. zijn land ligt in zijn schoenen (=hij is een grote opschepper)
  7. iemand uit bed lichten (=iemand 's nachts laten opstaan)
  8. goedkoop is duurkoop (=iets goedkoops kan later kosten veroorzaken, bijvoorbeeld door slechte werking, reparaties of onderhoud)
  9. in rep en roer (=in grote opschudding)
  10. te hoop lopen (=in opstand komen)
  11. een vuist maken (=krachtig opstellen)
  12. de lont in het kruit werpen (=mensen laten loskomen, opstoken)
  13. een toontje lager zingen (=minder opscheppen, minder grote mond hebben)
  14. van de regen in de drup (=niet veel opschieten, van moeilijke omstandigheden in nog moeilijkere omstandigheden terecht komen)
  15. geen zitvlees hebben (=ongedurig zijn - steeds weer opstaan en rondlopen)
  16. dik doen (=opscheppen)
  17. het paard ruikt de stal (=opschieten om gauw thuis te komen)
  18. een knuppel in het hoenderhok gooien (=opschudding veroorzaken)
  19. in verzekerde bewaring nemen (=opsluiten (in gevangenis))
  20. de zeilen hijsen (=opstaan, vertrekken)
  21. met spek schieten (=overdrijven of opscheppen)
  22. bij de pinken zijn (=snel dingen begrijpen, Handig en flink zijn, Vroeg opstaan)
  23. Tussen de soep en de aardappels (=Terloops)
  24. alle waar is naar zijn geld (=van iets goedkoops mag je geen topkwaliteit verwachten)
  25. als een luis op een teerton (=vorderen als een luis op een teerton: niet opschieten)
  26. vroeg uit de veren zijn (=vroeg opstaan)
  27. tijd is geld (=zaken zo snel mogelijk voor elkaar krijgen is het goedkoopste)
  28. de weg kwijt zijn (=zich onhandig opstellen, onverstandige keuzes maken)
  29. de hakken in het zand zetten (=zich opstellen als felle tegenstander van een voorstel of ontwikkeling, zonder de bereidheid te zoeken naar positieve aspecten of naar compromissen)

Het dialectenwoordenboek kent 43 spreekwoorden met `ops`

  1. Sint-Niklaas: 't bed opschudderen (=het bed opschudden)
  2. Amsterdams: Ronkend in gepoetste blikkies (=opscheppend in gepoetste autootjes)
  3. Lebbeeks: schijr: Ne schijr doen (=Iemand opscharrelen)
  4. Overijses: fafoel (=opschepper)
  5. West-Vlaams: smot upbeutrn / stutte smeiren/stuutn brièn (=beleg opsmeren)
  6. Waregems: iemand bij de viede zett'n (=iemand met iets opschepen (sluw))
  7. Zwartebroeks: een reupel umgaon (=een plek opschuiven)
  8. Amsterdams: Ronkend in gepoetste blikkies (=opschepperig in gepoetste autootjes)
  9. brabants: Apperentie moake (=opschieten)
  10. Bilzers: haug van den toeën bloëze (=opscheppen)
  11. Westerkwartiers: bloaz'n en 't meel ien de mond holl'n (=zuinigerd die opschept)
  12. Schijndels: aveseren- m'n aveseerschoenen aan-- (=opschieten -kan opschieten vandaag)
  13. Zeeuws: ie schel se noha dikke (=opschepper)
  14. Roermonds: ein tas koffie opsjödde (=een kop koffie inschenken)
  15. Munsterbilzen - Minsters: lansem aon opse gemaok (=kalmpjes aan)
  16. Westerkwartiers: wat goed ien 'e oorn knupp'n (=iets goed in het geheugen opslaan)
  17. Bilzers: dae zoet rap opse piëdsje (=die werd vlug kwaad)
  18. Roermonds: ich höb meer gold in de moel, dan geer panne op het daak (=iemand die opschept)
  19. Westels: Wa ge ruurt da ge stuurt da ge meevuurt. (=Wat je opschept moet je opeten.)
  20. Sint-Niklaas: eigen bof stinkt (=opscheppen over zichzelf)
  21. Munsterbilzen - Minsters: van den hauge toeën bloeëze (=opscheppen)
  22. Brugs: u groate lantèren me d'un klèen luchtie (=een opschepper)
  23. Aarschots: Ha verkeupt nogal veul zjaar. (=Hij is een opschepper.)
  24. Sint-Niklaas: nen dikke nek ein (=een opschepper zijn)
  25. Munsterbilzen - Minsters: opse doezenste gemaok (=tergend traag)
  26. Nuths: He lie,et zich get opschwenzen (=Hij laat zich opjagen.)
  27. Westerkwartiers: hij zit doar met opscheept (=hij zit daarmee in zijn maag)
  28. winterswijks: Better ene ko met 'n beste vlaai, dan 'n hele trop met 'n bult lawaai (=Beter maar een keer raak, dan alleen opschepperij)
  29. Sint-Niklaas: ne reéke mengs is oardug (=tegen iemand die graag opschept over iets dat hij bezit... zegt men:)
  30. Zeeuws: schiet noe es een bitje op ,mn bloed wor kerremelk (=opschieten)
  31. wijlres: sjtuute en in de brook sjiete is gèng kuns (=niets presteren en toch opscheppen)
  32. Sint-Niklaas: de boter zal gon opsloagen (=als je handen jeuken....zegt men:)
  33. Veurns: ze pap kunn'n koeël’n mi ... (=kunnen opschieten met ...)
  34. Helenaveens: Loat ’t màr in ’t búkske opschrijve (=Laat ’t maar op rekening zetten)
  35. Hoogstraats: ge moet weir bieje (=je moet opschieten)
  36. Giethoorns: as een luus op een teertonne (=Niet opschieten)
  37. Texels: poep seit ie, dood leit ie (=iemand die opslag dood is)
  38. Drents: Klagers gien nood, schroeters gien brood. (=Klagers hebben het niet zo slecht als ze zeggen en opscheppers hebben het niet zo goed aLs ze doen voorkomen.)
  39. Munsterbilzen - Minsters: ich gon dich dae heile ramzoj mètte pos opsjikke (=ik zal je die hele rommel wel met de post toesturen)
  40. Gronings: Dat is'n looze jong/loos wicht (=Dat is nou een opschepper(-ster) (negatief bedoeld))
  41. Driels: Aveseer is n bietje want in Ammerooi ist al donker (=opschieten want t is al laat)
  42. Westerkwartiers: ze kenn'n 't goed met 'n anner viend'n (=ze kunnen goed met elkaar opschieten)
  43. Tilburgs: ze motten ur mar goet teegenòn pèère, as-se-r mar nie àmmol tussenöt pèère (=ze moeten er maar goed opslaan, als ze maar niet allemaal op de vlucht slaan)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen