Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


11 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `op is`

  1. als de vis goedkoop is stinkt ze (=de herkomst ergens van is niet te vertrouwen)
  2. als het geld op is, is het kopen gedaan (=zonder liquide middelen zijn er geen uitgaven meer mogelijk)
  3. de boer eet vis als het spek op is (=Je moet tevreden zijn met wat je hebt)
  4. de klop is er op (=ze is 28 jaar)
  5. de kop is eraf (=er is een begin gemaakt)
  6. goedkoop is duurkoop (=iets goedkoops kan later kosten veroorzaken, bijvoorbeeld door slechte werking, reparaties of onderhoud)
  7. het grondsop is voor de goddelozen (=gezegd van iemand die het laatste restje uitdrinkt)
  8. het sop is de kool niet waard (=een onderwerp is te onbelangrijk om er aandacht aan te geven)
  9. met zout komen als het ei op is (=te laat komen (met een oplossing))
  10. op is de koek, en weg zijn de dubbeltjes (=het maximaal haalbare is bereikt, meer zit er niet in)
  11. zijn kop is zwaarder dan zijn benen (=hij is dronken (of erg moe))

5 betekenissen bevatten `op is`

  1. zichzelf op de borst slaan (=duidelijk aan de omgeving laten weten dat men ergens bijzonder trots op is)
  2. paradepaard (=een bezit, eigenschap, kunst of vaardigheid waar iets of iemand trots op is)
  3. een dronkemansgebed doen (=het geld natellen (als het zo goed als op is))
  4. de vis is de boet niet weerd (=het sop is de kool niet waard)
  5. je moet geen 'hei' roepen voordat je de brug over bent (=vreugde over een goede afloop is pas toepasselijk als er niets meer verkeerd kan gaan)

Het dialectenwoordenboek kent 2651 spreekwoorden met `op is`

  1. Mestreechs: nachbrake (=laat opblijven)
  2. Opglabbeeks: heij opaan (=doorlopend)
  3. Steins: eine get opbènje (=iemand iets wijsmaken)
  4. Helmonds: d'n voilen opbod (=zure oprisping)
  5. Lokers: Ge keud ier allemoal mijne zak opbloazen (=Jullie kunnen mijn zak opblazen (ik doe niet meer mee))
  6. Bilzers: maoger kiëtelkes sjijte (=niet veel opbrengen)
  7. brabants: K'goai effekes noar opa's en oma's (=ik ga even naar opa en oma)
  8. Munsterbilzen - Minsters: broederlëk dele en zusterlëk opaete (=eerlijk verdelen)
  9. Evergems: ge keunt mij'n zak opbloazen (=ik stop ermee)
  10. Munsterbilzen - Minsters: bau trèkste opaon (=waar ga je heen)
  11. Sint-Niklaas: zich opboteren, zich optalloren (=zich opsmukken)
  12. Zaans: Een broek lappe en gare toegeve (=Het kost meer dan dat het opbrengt)
  13. Oudenbosch: mijne zak kunde opblaoze (=je kunt de pot op)
  14. Sallands: Die's weer op't geboortegewich. (=Iemand is allang overleden)
  15. Zeeuws: opassen oor anders kom jan iik je illen (=bang makerij)
  16. Munsterbilzen - Minsters: doë zulste mér maoger kliskes van sjijte (=dat zal niet veel opbrengen)
  17. Lokers: 't is zijnen auver nie weirt (=het rendeert niet, het kost meer dan het opbrengt, het is zijn haver niet waard)
  18. Tilburgs: den vöölen opböllek krèège (=misselijk worden van (te veel) eten.)
  19. Oudenbosch: ge kun mijne zak opblaoze (=loop naar de hel)
  20. Westerkwartiers: de kool is 't sop niet weerd (=de opbrengst is niet de moeite waard)
  21. Twents: wie hebt roepen op n moos; Vi'j hebt roep'n op'n moos (=wij hebben rupsen op de boerenkool)
  22. Westerkwartiers: we mozz'n toe de wiend opboksel'n (=we moesten tegen de wind op tornen)
  23. Hulsters (NL): da's gin vette (=dat is maar een kleine opbrengst, winst etc.)
  24. Munsterbilzen - Minsters: doë geeste geen dikke kiëtële van sjijte (=dat is maar een magere opbrengst)
  25. Westfries: de hel opbouwen. (=onnodig de confrontatie aangaan, op ramkoers ligge)
  26. Westerkwartiers: ze kon niet teeg'n 'em opboksel'n (=zij kon niet van hem winnen)
  27. Tilburgs: ge kunt um optuutere !! (=je kunt hem opblazen (naar de donder lopen))
  28. Flakkees: Die heiter een paer op't gors laopen. (=Die persoon is niet helemaal goed bij zijn hoofd.)
  29. Gents: kus mijn uure, luup noar de fuure, ge keun mijne zak opbloaze: 't soepapken hangt er an (=bekijk het maar, doe het zelf)
  30. Amsterdams: je kan m.n zak opblazen (=je kunt mijn aars likken)
  31. Sint-Niklaas: ze kunnen allemoal minnen zak opbloazen, ze kunnen de pot, dasse nor de kloûten loûpen! (=het kan mij niks meer schelen!)
  32. Gronings: wievm begin der noeit aan zei mien opa altied (=vrouwen begin er nooit aan zij mijn opa altijd)
  33. Volendams: e jej nag slik van de bap at? (=heb jij nog snoep van opa gehad?)
  34. tervurens: op vadroei (=op den dool, op stap)
  35. Hedels: Op de slip (=Op schoot)
  36. Munsterbilzen - Minsters: op iemed aongewiëze zin of op z'n eege (=aangewezen op een ander of op jezelf)
  37. Weerts: op zien nöäj, op zien kloeëte kriege (=op zijn sodemieter, op zijn donder krijgen)
  38. Rotterdams: gaat fietsen stelen (=donder op)
  39. Sinttruins: veugt oech (=pas op)
  40. Geffes: zuukt (=op zoek naar)
  41. Waregems: an tijds (=stipt op tijd)
  42. Merenaars: a es op trok (=hij is op zwier)
  43. Fries: De bealch der op mannen! (=Het lichaam er op!)
  44. Overpelts: dé trekt op ginnen urgel (=dat trekt nergens op)
  45. Hulsters (NL): da trekt op niks (=dat lijkt nergens op)
  46. Bosch: flikker straal nou gauw op (=donder op)
  47. Westerkwartiers: hol op te groedjen (=hou op te morsen)
  48. Twents: pas good op oezelf (=pas goed op jezelf)
  49. Tilburgs: op de reutel kôope (=op afbetaling kopen)
  50. Bilzers: op taubaot (=op de koop toe)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen