Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


364 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `om`

  1. zijn bekomst ergens van hebben (=ergens genoeg van hebben)
  2. zijn klompen wegbrengen/wegzetten (=naar huis gaan/sterven)
  3. zijn rokje omkeren (=lid van een andere (bv politieke) partij worden)
  4. zo dom als het achtereind van een koe/varken (=erg dom)
  5. zo dom als touw (=onnozelheid of domheid (als in: `Je bent ook zo dom als touw hè?!`))
  6. zo komt het kalfje weer bij zijn moer (=zo komt wat verloren was weer in orde)
  7. zo komt het luie zweet eruit (=gezegd van iemand die hard werkt)
  8. zo oud als de weg naar Rome zijn (=heel erg oud)
  9. zo stom als een vis (=iemand die geen woord zegt)
  10. zo welkom als een hond in de keuken (=absoluut niet welkom)
  11. zo wijs als Salomo`s kat zijn (=erg wijs denken te zijn, maar eigenlijk totaal niet zijn)
  12. zonder complimenten (=zonder meer, zonder er verder nog woorden aan vuil te maken)
  13. Zorg dat daar geen zwarte hond tussen komt (=Pas op dat het niet misgaat)
  14. zoveel geven om iets als een boer om een kers (=er totaal niets om geven)

574 betekenissen bevatten `om`

  1. met de nachtschuit komen (=laat komen / iets vertellen dat iedereen al weet)
  2. er blijft veel aan maat en strijkstok hangen (=lang niet alles komt op zijn plaats terecht)
  3. er zijn altijd meer zwijgers dan sprekers (=lang niet iedereen komt altijd voor zijn mening uit)
  4. in de meuk staan (=laten weken om zacht te worden)
  5. je kaarten op tafel leggen (=laten weten over welke middelen je beschikt om iets gedaan te krijgen)
  6. het roer in handen hebben (=leiding geven en door moeilijke tijden heen komen)
  7. al is de leugen nog zo snel de waarheid achterhaalt ze wel (=leugens komen altijd uit)
  8. platvis eet je met de ramen open en rondvis met de ramen dicht (=m.a.w. platvis is een zomervis en rondvis is in de winter op z`n best)
  9. geen zorgen voor de dag van morgen (=maak je nu nog niet druk over mogelijke toekomstige problemen)
  10. zich uit de voeten maken (=maken dat men wegkomt)
  11. precies in mijn straatje zijn (=me precies goed uitkomen op het juiste moment)
  12. niet bij brood alleen leven (=men heeft meer nodig dan alleen eten om te kunnen leven)
  13. zelfkennis is het begin van alle wijsheid (=men moet eerst zichzelf kennen om verdere kennis te kunnen verwerven)
  14. Men moet zich krommen, wil men door de wereld kommen (=Men moet er wat voor over hebben om iets te bereiken)
  15. als het tij verloopt verzet men de bakens (=men moet zich aan de omstandigheden aanpassen)
  16. waar het paard aangebonden is moet het vreten (=men moet zich naar de omstandigheden schikken)
  17. Waar het paard aangebonden is, moet het vreten. (=Men moet zich naar de omstandigheden schikken)
  18. elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=men moet zich niet zorgen maken over de toekomst)
  19. de boog kan niet altijd gespannen zijn (=men moet zich soms ook kunnen ontspannen)
  20. geld dat stom is, maakt recht wat krom is (=mensen kunnen door financiële bevoordeling ertoe gebracht worden om onrecht toe te laten)
  21. de lont in het kruit werpen (=mensen laten loskomen, opstoken)
  22. alle kusten bezoeken (=met allerlei slecht volk omgaan)
  23. het is goed riemen snijden uit andermans leer (=met andermans eigendom kan men gemakkelijk kwistig omgaan)
  24. in hetzelfde schuitje varen/zitten (=met dezelfde omstandigheden te maken hebben, hetzelfde lot ondergaan)
  25. onder een staand zeiltje is het goed roeien (=met een klein vast inkomen, verdient men al gauw genoeg voor de kost)
  26. leugens hebben korte benen (=met een leugen schiet iemand niets op, na verloop van tijd komt de waarheid altijd naar buiten)
  27. de violen stemmen (=met elkaar onderhandelen, naar compromissen zoeken)
  28. De domste boeren hebben de dikste aardappelen (=Met geluk komt men vaak verder dan met verstand)
  29. met vuur spelen (=met gevaarlijke dingen laks omgaan, gevaarlijke dingen doen)
  30. praatjes vullen geen gaatjes (=met praten alleen komt men er niet, er moet ook wat gedaan worden)
  31. het in Keulen horen donderen (=met stomheid geslagen zijn)
  32. met de deur in huis vallen (=meteen ter zake komen / onmiddellijk over datgene beginnen waarvoor men kwam zonder)
  33. de draad van Ariadne (=middel om klaarheid te scheppen in een ingewikkeld iets)
  34. op gespannen voet (zijn) (=moeilijk met elkaar omgaan, ruzie)
  35. het eind zal de last dragen (=moeilijkheden en problemen komen vooral als het werk bijna af is)
  36. niet van de wind kunnen leven (=moeten werken om alles te kunnen betalen)
  37. na regen komt zonneschijn (=na een periode van tegenslag, komt er een betere tijd)
  38. morgenrood/avondrood brengt water in de sloot (=na een rode morgen- of avondlucht komt regen)
  39. hard tegen hard gaan (=niemand die wil toevoegen en er beide voor gaan om te winnen)
  40. iets aandurven (=niet bang zijn om iets te doen)
  41. een slag om de arm houden (=niet direct alles vertellen of voorzichtig zijn om toekomstige problemen voor te zijn)
  42. niet van vandaag of gisteren (=niet dom)
  43. Een goed paard maakt nog geen goede ruiter. (=Niet enkel de middelen tellen, ook de vaardigheid is belangrijk om resultaat te krijgen.)
  44. hier niet zijn om vliegen te vangen (=niet gekomen om de tijd de verdoen)
  45. zijn kat sturen (=niet komen opdagen)
  46. verstek laten gaan (=niet komen opdagen)
  47. in iemands schaduw staan (=niet opvallen omdat iemand anders meer opvalt)
  48. Niet van het ene brood tot het andere weten te geraken (=Niet rond kunnen komen)
  49. niet in de wieg gesmoord (=niet van bij de opkomst vernietigd - al oud)
  50. van de regen in de drup (=niet veel opschieten, van moeilijke omstandigheden in nog moeilijkere omstandigheden terecht komen)

Het dialectenwoordenboek kent 485 spreekwoorden met `om`

  1. Rotterdams: Nog te lui om brand te roepen (=lui)
  2. Zottegems: ne neuze om e verken mee te ber'n (=grote neus)
  3. Steins: de luuj aafloupe (=van deur tot deur gaan om iets te krijgen)
  4. Graauws: die is te leluk om vreten te geven mee nen riek (=dat is geen knappe ...)
  5. Westerkwartiers: dat het weineg om' hakk'n (=dat stelt niet veel voor)
  6. Westerkwartiers: dat was op 't kaantje om oaf (=dat kon maar amper)
  7. Evergems: ij ee geene noagle om an zijn gat te krabb'n (=hij heeft geen bezit)
  8. Lochristis: é é giien nuigle om oin zijn gat te krabn (=hij is arm)
  9. Westerkwartiers: het is mij om 't eev'm (=het maakt mij niet uit)
  10. Bilzers: twürk mich om me sistaem (=van die wordt ik nerveus)
  11. Gronings: Wat hest om haan's (=waar ben je mee bezig)
  12. Zeeuws: ie ei hin luus opzn oead om doead te doen (=arm)
  13. Brussels: dos altait moyin om te moyènèiren (=een oplossing zoeken)
  14. Liwwadders: bij Dokkum om (=een grote omweg)
  15. Westerkwartiers: die kirrel het 'em om (=die man is bezopen)
  16. Zeeuws: ie vroeg om pen en inkt (=hij schreeuwde hard)
  17. Zeeuws: hi us om t errebezem laddertje (=klein persoon)
  18. Munsterbilzen - Minsters: de wieës aad attet langer doert vër aut te rèste as vër miech te wiëene (=oud ben je pas als de tijd om uit te rusten langer wordt dan die om je moe te maken)
  19. Zeeuws: een hoeie weg al isn krom ,die is nie om (=weg)
  20. Kinrooi: Es te aod bès doortj 't langer óm oet te röste es óm meug te waere! (=Wanneer je oud bent duurt het langer om uit te rusten dan om moe te worden!)
  21. Zaamslags: ik bin om te bost'n (=ik ben erg kwaad)
  22. Wetters: ij eeft gene puujt miejr om op te stoan (=hij kan niet meer verder)
  23. Brakels: ij eet een lirre vandoen om iejn ee verke zij gat te kijk'n (=heel kleine persoon)
  24. Gronings: hai is om Leermens toukomen (=hij weet wat er in de wereld te koop is)
  25. Westerkwartiers: om mij maagst wel goan (=je mag wat mij betreft wel gaan)
  26. Iepers: e n'es te dom om ooi t'eten (=over iemand die dom is)
  27. Westerkwartiers: ze hemm'n 'em om zeep holp'n (=ze hebben hem van de kaart geveegd)
  28. Deinzes: Zee' 'n ol om 'n koebeeste op te slachtn' (=Ze heeft een dik achterwerk.)
  29. Westerkwartiers: ze ging om elk wizzewaske noar dokter (=zij ging bij elk pijntje naar de arts)
  30. Sint-Niklaas: as een ou schuur ont brangen gerokt is er geen blussen oan (=als een ouder het in 't hoofd krijgt om te trouwen, is er geen tegenhouden aan)
  31. Twents: Dom wean heendert nich ' t wördt pas slim a-j ' t zölf nich deur hebt (=Het is niet erg om dom te zijn, het wordt pas erg als je het zelf niet in de gaten hebt)
  32. Twents: Aj een ezel dans'n wilt leern, he'j wal ne glönige plate nörig (=Je moet nog wel heel wat doen om dat voor elkaar te krijgen)
  33. Sallands: Iederiene zol willn leem um old te wönn, mar völle wördt'r old zonder te leem. (=Iedereen zou willen leven om oud te worden, maar velen worden oud zonder te leven.)
  34. Ossies: ik ha menne groete tien gestoeten aon de toffelpoet, nou is ie olling blaauw. (=Ik heb mijn teen gestoten aan de tafelpoot, nu is ie helemaal blauw. ( gaat om de klank, alleen echte Ossenaren kunnen dit goed uitspreken.))
  35. Heldens: smerges um vief orre, kooren verslobberen,sigrette rauken,mer werke ho mer. (=Smorgens om vijf uur, koren op het veld platlopen, sigaretten roken maar werken ho maar.)
  36. Munsterbilzen - Minsters: van klishoot mokde ich klissap en dat doech ich èn e kolafleske vër konne mètte zjoeggele (=van zoethout maakte ik sap en dat deed ik in een colaflesje om mee te schudden)
  37. Achterhoeks: Tied van kommen, tied van gaon. Tied um effen bi-j stille te staon. (=Tijd van komen, tijd van gaan. Tijd om even bij stil te staan.)
  38. gronings: 't komp zoas 't komp zee de boer en scheet zuk in de boksem (=je kunt je druk maken om van alles en nog wat, het komt toch zoals het komt)
  39. Munsterbilzen - Minsters: soëves bier mèt de maach, smërges watter aut de graach (='s avond geld met hopen, 's morgens geen om brood te kopen)
  40. Mills: As Mie kumt mi de slappe was. (=als iemand vraagt wanneer komt dit of dat als het om geld gaat is het antwoord vaak:)
  41. Oudenbosch: dan gaode naar Jantje Worst dieee un hondje en dat piest oe in oew mondje (=dorstige kinderen die om drinken vragen)
  42. Klemskerks: je keurn toogn: iets doen om anderen te verbazen, om op te vallen. Bv. Je sproenk oovr 't zwin vo' ze keurn te toogn (=je kuren tonen)
  43. Munsterbilzen - Minsters: tès haug tijd vür ze laeve te baetere (=het is de hoogste tijd om er nog wat van te maken)
  44. Amsterdams: Het kan me niet(s) bommen (=Het kan me niet(s) schelen, Ik geef er niet(s) om)
  45. West-Vlaams: er geen \ (=het niet meer zien zitten om nog een bepaald iets te doen)
  46. Zwevegems: J'è ta (h)edoan eut 'n preusstik. (=Hij heeft dat gedaan om te tonen wat hij kan.)
  47. Roosendaals: Oe gaoget? Ut kan gin stoefe lije. (=Hoe gaat het ? Niet om over naar huis te schrijven.)
  48. Munsterbilzen - Minsters: dae et langste laef hètten heile werd on zen kloete (=je wordt schatrijk als je maar gek bent om lang te werken)
  49. Munsterbilzen - Minsters: God hèt ook de vrolaaj gemok,mer hae hètter zelf geen gehate (=je hebt geen vleugels nodig om een engel te zijn)
  50. Liemers: De wind huul haeveg um de keet haen gi-j zol d'rvan eiges gaon weg waei-je (=Hard waaien om het huis)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen