Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


364 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `om`

  1. tegen de stroom oproeien (=tegen de gangbare opinie in gaan)
  2. tot de jaren des onderscheids komen (=oud genoeg zijn om zelf te weten/mogen wat wel en niet mag)
  3. twisten om des keizers baard (=om kleinigheden ruzie maken)
  4. uit de kast komen (=voor je [seksuele] geaardheid uitkomen)
  5. uit de lucht komen vallen (=doen alsof men van niets weet / erg plotseling en onverwacht)
  6. uit de verf komen (=goed bij anderen overkomen / zich doen opmerken)
  7. uit een goed nest komen (=van goede afkomst zijn)
  8. van achter de koeien/ploeg komen (=van boerenafkomst zijn)
  9. van alle markten teruggekomen zijn (=nergens voor deugen)
  10. van de bok (laten) dromen (=een pak slaag (laten) krijgen)
  11. van een bruiloft komt een bruiloft (=op een bruiloft kunnen twee mensen elkaar leren kennen die dan weer gaan trouwen)
  12. van een koude kermis thuiskomen (=teleurgesteld thuiskomen)
  13. van kwaad tot erger komen/vervallen (=steeds erger worden)
  14. van Lillo komen (=je dom houden. Volgens de overlevering vindt dit gezegde zijn oorsprong in het (ontkennende) gedrag van de inwoners van Fort Lillo na een aan hen toegeschreven roofoverval op een boerderij te Waarde in 1579)
  15. van pomp noch pompstang weten (=erg dom zijn, weinig weten)
  16. van praat komt praat (=een nieuwtje wordt snel verder verteld)
  17. van uitstel komt afstel (=als je iets niet meteen doet, loop je het risico dat het nooit meer gebeurt)
  18. vechten dat de kraaien om de brokken komen (=hevig vechten)
  19. vechten om 's keizers baard (=vechten om niets)
  20. veel omslag maken (=veel bijzonders doen)
  21. vertrouwen komt te voet en gaat te paard (=het is makkelijker om iemands vertrouwen te schaden, dan te verkrijgen)
  22. Vertrouwen komt te voet, maar gaat te paard. (=Vertrouwen wint men langzaam, maar kan men vlug verliezen)
  23. voor de drang der omstandigheden zwichten (=zich naar de omstandigheden schikken)
  24. voorkomen is beter dan genezen (=door voorzichtig te zijn kun je problemen en ongelukken voorkomen)
  25. waar de boom gevallen is, blijft hij liggen (=gedane zaken nemen geen keer)
  26. waar het hart vol van is, loopt/vloeit/stroomt de mond van over (=waar men heel erg mee bezig is, daar wil men over praten)
  27. waar meerderman komt moet minderman wijken (=als een machtig persoon iets zegt, moet de minder machtige zwijgen)
  28. waarheid met de slag om de arm (=een waarheid die vele facetten kent)
  29. wanneer twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen (=als twee strijdende personen of partijen zich richten op elkaar, kan een ander daarvan profiteren door zich datgene toe te eigenen waar om gestreden wordt)
  30. wat ik je brom (=wat ik je zeg!)
  31. wat van apen komt wil luizen (wat van katten komt wil muizen) (=zijn afkomst kan men niet verloochenen)
  32. wat van ver komt, is lekker (=iets wat van ver komt, is bijzonder. Daarom denkt men dat het ook beter zal zijn)
  33. we kunnen niet allen paus van Rome zijn (=niet iedereen kan de baas zijn)
  34. weer boven water komen (=weer tevoorschijn komen)
  35. wie eerst komt eerst maalt (=wie eerst komt, krijgt het beste)
  36. wie het eerst komt, het eerst maalt (=het wordt toegekend aan degene(n) die het eerst komt)
  37. Wie in een boomgaard werkt mag er uit eten / van de druiven eten. (=Voordeel halen uit je werk.)
  38. wie met honden omgaat, krijgt vlooien (=wie in slecht gezelschap verkeert, neemt slechte gewoonten over)
  39. wie met pek omgaat, wordt ermee besmet (=wie met slechte mensen omgaat neemt de gewoontes van die mensen over)
  40. Wie pleit om een paard, behoudt de staart. (=Je kunt beter wat toegeven, dan het tot een duur en langslepende kwestie te laten komen)
  41. wie tot een penning geboren is kan tot geen stuiver komen (=wat het lot voor je in petto heeft kan je niet ontlopen)
  42. Wie weet waarom de ganzen blootsvoets gaan? (=Alles heeft een reden, ook al is die niet altijd even duidelijk)
  43. wie zijn klomp breekt, schiet gemakkelijk uit zijn slof (=als je wordt teleurgesteld, kun je gemakkelijk boos worden)
  44. Ze trekken om het langst (=Ze willen beide winnen)
  45. zich de lenden omgorden (=zich gereedmaken)
  46. zich een strop om de hals halen (=zich in de problemen werken)
  47. zich in zijn graf omkeren (=zelfs na zijn dood er nog door geschokt zijn)
  48. zich onder het juk der dwingelandij krommen (=onderworpen zijn)
  49. zich van de domme houden (=doen alsof men van niets weet)
  50. Zij hangt haar man de blauwe huik om (=Zij bedriegt haar man)

574 betekenissen bevatten `om`

  1. iets van de achterwacht vernemen (=iets vernemen na veel omwegen)
  2. met iets op de proppen komen (=iets vertellen, ermee voor de dag komen)
  3. met wortel en tak uitroeien (=iets volledig bestrijden om er geen last meer van te hebben)
  4. ergens als een berg tegen opzien (=iets voor zichzelf beschouwen als een zeer moeilijke, of onplezierige, taak of omstandigheid)
  5. een heilige koe (=iets waar je niet aan mag komen en zuinig op bent, voor sommige mensen is dat bijv. een auto)
  6. het zwaard van Damocles (=iets wat snel of ieder moment kan gebeuren)
  7. wat van ver komt, is lekker (=iets wat van ver komt, is bijzonder. Daarom denkt men dat het ook beter zal zijn)
  8. een witte raaf (=iets wat zelden voorkomt, een zeldzaamheid)
  9. met een metworst naar een zij spek gooien (=iets weinig waardevols opofferen om iets waardevols terug te krijgen)
  10. iets voor zoete koek slikken (=iets zomaar geloven)
  11. mijn vingers jeuken (=ik heb zin om eraan te beginnen)
  12. dat zal mijn klomp niet roesten (=ik maak me er niet druk om; het kan mij niet schelen)
  13. zich blootstellen aan (=in aanraking komen met)
  14. in de running (=in competitie - doet nog mee)
  15. de rijzende zon aanbidden (=in de gunst trachten te komen van iemand die succesvol is)
  16. tussen de wal en het schip geraken (=in de knel komen, iets raakt per ongeluk verloren of zoek)
  17. zuivel op zuivel is voer voor de duivel (=in de Middeleeuwen gebruikt om mensen van hekserij te beschuldigen, wanneer zij zuivel op zuivel op hun brood deden)
  18. op poten staan (=in een brief nergens omheen praten)
  19. aan de bedelstaf raken (=in een situatie terechtkomen waarin je geen geld of bezittingen meer hebt en dus heel arm bent)
  20. op grote schaal (=in het groot , zeer veel voorkomend)
  21. als de nood het hoogste is, is de redding nabij (=in hoge nood komt er vaak plotseling een oplossing)
  22. Zijn maag wel aan de kapstok kunnen hangen. (=In moeilijke financiële omstandigheden verkeren waardoor men weinig eten kan kopen.)
  23. nood leert bidden (=in nood leert men anderen om hulp vragen)
  24. te hoop lopen (=in opstand komen)
  25. een kat komt altijd op z'n pootjes terecht (=ingewikkelde en vervelende dingen kunnen vanzelf weer voor elkaar komen)
  26. zich voor de kop schieten (=inzien dat men een grote stommiteit gedaan heeft - zelfmoord plegen)
  27. van Lillo komen (=je dom houden. Volgens de overlevering vindt dit gezegde zijn oorsprong in het (ontkennende) gedrag van de inwoners van Fort Lillo na een aan hen toegeschreven roofoverval op een boerderij te Waarde in 1579)
  28. de wens is de vader van de gedachte (=je gelooft iets, omdat je wil dat het zo is)
  29. beter voorkomen dan genezen (=je kan beter iets voortijdig voorkomen dan er later de gevolgen van inzien)
  30. er is geen land met hem te bezeilen (=je kan met hem niets aanvangen, omdat hij niet wil meewerken)
  31. je bedje is gespreid (=je komt in een situatie terecht waarin alles al voor je geregeld is)
  32. gebraden duiven vliegen niemand in de mond (=je krijgt niets zomaar (zonder er enige moeite voor te doen))
  33. Wie pleit om een paard, behoudt de staart. (=Je kunt beter wat toegeven, dan het tot een duur en langslepende kwestie te laten komen)
  34. wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje (=je kunt nooit boven de stand komen waarin je geboren bent. Arm geboren, zal wel arm blijven)
  35. de vis aardt naar de zee (=je kunt wel zien waar hij vandaan komt)
  36. je mening niet onder stoelen of banken steken (=je mening niet verbergen, openlijk voor je standpunten uit durven komen, bij voorbeeld van afkeuring van iets)
  37. wie maaien wil moet zaaien (=je moet er iets voor doen om iets te verkrijgen)
  38. men moet geen oude bomen verplanten/verpoten/verplaatsen (=je moet geen oude mensen uit hun vertrouwde omgeving halen)
  39. wat hansje niet leert zal hans nooit weten (=je moet het eerst leren om het later te kunnen)
  40. `t Mag vloeien, `t mag ebben. Die niet waagt zal `t niet hebben (=Je moet niet denken als je niets onderneemt dat ze het dan bij je thuis komen bezorgen)
  41. het ijzer smeden als het heet is (=je moet op het juiste moment de kansen grijpen en dingen doen)
  42. wie zichzelf bewaart, bewaart geen rotte appel (=je moet voorzichtig omgaan met jezelf, want het is niet vervangbaar)
  43. Een mens moet werken voor de brok en voor de rok. (=Je moet werken om te kunnen eten en kleding te kunnen kopen.)
  44. had je me gisteren gehuurd dan was ik vandaag je knecht geweest (=je moet zo niet commanderen - dat doe ik gewoon niet!)
  45. op stootgaren liggen (=klaarliggen om in actie te schieten)
  46. zich schrap zetten (=klaarmaken om de klap op te vangen)
  47. onder iemands duiven schieten (=klanten van een ander overhalen om klant te worden bij jou)
  48. vooruit met de geit (=komaan, we doen voort. )
  49. een plaat voor je hoofd hebben (=kortzichtig zijn, niet open staan voor de omgeving)
  50. zijn verdiende loon krijgen (=krijgen wat hem toekomt (meestal iets slecht))

Het dialectenwoordenboek kent 485 spreekwoorden met `om`

  1. Westerkwartiers: denk ok om dien medemins'n (=denk ook aan andere mensen)
  2. Westerkwartiers: hij holt 'n slag om 'e aarm (=hij wacht voorzichtig af)
  3. Lebbeeks: donder'n: Ei es te stom vé t'elpen donder'n (=Hij is te dom om iets mee aan te vangen)
  4. Hansbeeks: J'ee gienen noagel om aan z'n gat te scharten (=Zo arm als Job)
  5. Kessels: maak dich neet druek om ungelagde eier (=maak je niet druk)
  6. Twents: A'j om t geald trouwd bint, he'j ne koo in n stal en n vearkn in berre! (=Als je om het geld bent getrouwd heb je koe in de stal een een varken in bed.)
  7. Sint-Niklaas: das 't minste va min zurgen (=daar ben ik niet bezorgd om)
  8. Bilzers: doë hébste geen imkiekes noë (=daar hoef je niet naar om te zien)
  9. Munsterbilzen - Minsters: den traajn oppet verkeirde spoeër zètte (=een hovenier om de tuin leiden)
  10. Roeselaars: stikt er joen Latien nie in (=doe geen moeite (om het uit te leggen))
  11. Antwerps: Ne smoel vur vis oep te snaaie (=Een smoel om vis op te snijden)
  12. Oudenbosch: daor kun dallemaol nie mee rekene (=dat is teveel om rekening mee te houden)
  13. Sint-Niklaas: de duiven inkeven( in de keef steken) (=de duiven inkorven om te vervoeren)
  14. Munsterbilzen - Minsters: ze hochten um mét zene sjarel gepak (=de hovenier werd om de tuin geleid)
  15. Diesters: tes tog ginnen avans (=het heeft geen om voort te doen)
  16. Lichtervelds: de wilde is e kwoa bièèste (=het is niet gemakkelijk om te gaan met weelde)
  17. Lichtervelds: je lopt de poîtn van oender ze gat (=hij doet alles om iemand te helpen)
  18. Sint-Niklaas: ei eé ne krop in zèn keel (=hij staat op het punt om te beginnen wenen)
  19. Sint-Niklaas: oestweer (=gunstig weer om de oogst binnen te halen)
  20. Giethoorns: Dan neem ie maar een koppel kiepen (=Je moet niet proberen om mij op te jagen)
  21. Hansbeeks: 'k goa goan zien (=Ik sta op punt om te vertrekken)
  22. Munsterbilzen - Minsters: ich vergon van de mesiëre (=ik val om van de ellende)
  23. Deinzes: é kik een out'ne muile misschienst?! (=krijg ik niks om te eten/drinken?)
  24. Westerkwartiers: leev'm en leev'm loat'n (=men moet ook om de medemens denken)
  25. Zelzaats: Temberken (=Oplossing van aardappelbloem in warm water om vleesjus mee aan te dikken)
  26. Munsterbilzen - Minsters: zoe loemp asset aaterste vanne vérke (=te dom om helpen te donderen)
  27. Vechtdals: 'n meanse is nooit te old umme te leern (=een mens is nooit te oud om te leren)
  28. Munsterbilzen - Minsters: braek mich nie de maul oëpe (=verplicht me niet om te spreken)
  29. Kaatsheuvels: zij loapt op alle dag (=zij staat op punt om te bevallen)
  30. Munsterbilzen - Minsters: aste bezoeëpe bés, moeste ielëk honsgezeek gojn zeeke (=als je veel gedronken hebt, moet je om de haverklap gaan plassen)
  31. Boakels: dê hi veul kreum gekôst um dien bôm um te doewe (=dat heeft veel inspanning gekost om die boom neer te halen)
  32. Heels: èt trumptj (=kleine klok wordt geluid om aan te geven dat de mis over .... minuten gaat beginnen.)
  33. Sint-Niklaas: de benen van onder zè gat lopen (=er vaart achter zetten om iets in orde te kijgen)
  34. brabants: ge kunt vur un eindje worst gin heel verreke in huis hoale (=Geen zin om opnieuw te trouwen van een weduwe)
  35. Wetters: ei moe scharten veur toe te kommen (=hij heeft het lastig om de eindjes aan elkaar te knopen)
  36. Kinrooi: Edere mins heet 'r recht op óm gelökkig te zeen! (=Ieder mens heeft er recht op om gelukkig te zijn!)
  37. Zottegems: Tes uure van poliese (=Het is al late avond en tijd om naar huis of bed te gaan)
  38. Waarschoots: petsjonkelen (=in en uit de kerk gaan om zo een aflaat te verdienen (op Allerzielen))
  39. Venloos: Dae bessem dae hoot Greet en kaerde in de hukskes neet (=Je vergeet steeds om in de hoek te vegen)
  40. Sint-Niklaas: 'k moet me wjeiren (=ik moet moeite doen om alles op mijn bord op te eten)
  41. Leefdaals: doavui zaa 'k mai bloot gat loate zee (=om aan te geven dat men iets bepaalds graag eet)
  42. Weerts: det helleptj tieëge de muus zag de boor en hae stoeëk zien scheur in brând (=overdrijven om een klein probleem op te lossen)
  43. Alblasserdams: kijk uut vor dn bullebak of moeneker die je dr in wil trekke (=waarschuwing om kinderen bij de sloot vandaan te houden)
  44. Zottegems: Te dom om elp'n te dondern (=dommerik)
  45. Steins: doe kèns dich get aanstèlle! (=jij maakt je druk om niets!)
  46. Hansbeeks: 't es om ziebe (=Het is stuk)
  47. Kortemarks: tis te dom om doîd te doen (=het is zeer eenvoudig)
  48. Westerkwartiers: hij wil niet om liek (=hij gehoorzaamt niet)
  49. Steins: dat is get, dao zaeste geer taenge (=iets om trots op te zijn)
  50. Antwerps: ne smoel om ijzer op te plooien (=onsympathiek gelaat)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen