Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


364 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `om`

  1. maken dat men wegkomt (=ervandoor gaan)
  2. man met de hamer tegenkomen (=totaal uitgeput geraken)
  3. Men eet om te leven, men leeft niet om te eten. (=Niet uitsluitend materiele zaken zijn van belang.)
  4. men is nooit te oud om te leren (=men kan altijd nog bijleren)
  5. men kan geen omelet maken zonder eieren te breken (=soms moet men iets verliezen om een hoger doel te bereiken)
  6. men moet de boom buigen als die jong is (=goede gewoonten kunnen het beste al jong worden aangeleerd)
  7. men moet geen oude bomen verplanten/verpoten/verplaatsen (=je moet geen oude mensen uit hun vertrouwde omgeving halen)
  8. men moet geen struif om een ei bederven (=men moet het geheel niet afkeuren voor één gebrek)
  9. men moet rijden en omzien (=men moet voorzichtig te werk gaan)
  10. Men moet zich krommen, wil men door de wereld kommen (=Men moet er wat voor over hebben om iets te bereiken)
  11. Men poot de aardappelen wanneer men wil, ze komen toch niet in april (=Boerenregel. Aardappelen komen pas in mei uit)
  12. Met beslagen paarden op het ijs komen. (=Goed voorbereid zijn voor zijn taak)
  13. met de klompen op het ijs komen (=zich onvoorzichtig ergens begeven waar men niet thuis hoort)
  14. met de klompen van het ijs blijven (=zich met iets niet inlaten)
  15. met de kous op de kop thuiskomen (=teleurgesteld thuiskomen)
  16. met de nachtschuit komen (=laat komen / iets vertellen dat iedereen al weet)
  17. met een nat zeil thuiskomen (=dronken thuiskomen)
  18. met een waterzeil thuiskomen (=doornat zijn)
  19. met hangende pootjes thuiskomen (=bewust van schuld (thuis)komen / zeer tegen zijn zin)
  20. met het water voor de dokter komen (=zeggen wat je bedoelt)
  21. met iemand in aanvaring komen (=ruzie of problemen met iemand krijgen)
  22. met iets op de proppen komen (=iets vertellen, ermee voor de dag komen)
  23. met je hoed in je hand kom je door het ganse land (maar met je pet op je test kom je er ook best) (=met beleefdheid kun je veel bereiken)
  24. met kromme tenen zitten (=zich ergeren)
  25. met stille trom vertrekken (=vertrekken zonder iemand het te laten weten)
  26. Met stille trom vertrekken (=Onopgemerkt vertrekken)
  27. met stomheid geslagen (=plotseling geen woord meer kunnen zeggen)
  28. met zout komen als het ei op is (=te laat komen (met een oplossing))
  29. mettertijd komt Hannes in het wammes (=met veel geduld lukt het wel)
  30. morgen komt er weer een dag (=niet zo haastig, morgen kan het ook nog)
  31. na regen komt zonneschijn (=na een periode van tegenslag, komt er een betere tijd)
  32. naar de pomp lopen (=ga weg!)
  33. naar zijn hielen omzien (=aan vluchten denken)
  34. niet aan zijn trekken komen (=niet krijgen wat men wil)
  35. niet om de knikkers, maar om het spel (=het gaat niet om het winnen, maar om het spel)
  36. niet veel om de hakken (=niet veel bijzonders)
  37. niets om het lijf hebben (=niets betekenen, geen waarde hebben)
  38. nomen nescio (=de niet genoemde persoon) (Latijn)
  39. nu breekt mijn klomp (=van verbazing niet meer weten wat te zeggen)
  40. nu komt de aap uit de mouw (=nu blijkt wat werkelijk de bedoeling was)
  41. nu komt er licht in de duisternis (=nu komt er een oplossing)
  42. om de dooie dood niet (=volstrekt niet, in geen geval, al kost het me mijn leven)
  43. om de haverklap (=op alle mogelijke momenten, steeds weer opnieuw)
  44. om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren (=pas als men iets ernstig meemaakt, weet men op wie men kan vertrouwen)
  45. om de vinger winden (=er gemakkelijk baas over worden)
  46. om den brode doen (=alleen werken voor het geld en niet omdat het werk fijn/leuk is)
  47. om door een ringetje te halen (=keurig netjes)
  48. om een ladder te beklimmen begin je met de onderste sport. (Haastige spoed is zelden goed) (=)
  49. om een luchtje gaan (=dood gaan)
  50. om hals brengen (=iemand doden)

574 betekenissen bevatten `om`

  1. dweilen met de kraan open (=geen kans op succes hebben, omdat men de symptomen bestrijdt zonder de oorzaak aan te pakken)
  2. die dan leeft die dan zorgt (=geen zorg om de toekomst van anderen)
  3. wie dan leeft, wie dan zorgt (=geen zorgen maken over de toekomst)
  4. arbeider in de wijngaard des heren (=geestelijk beroep (priester,dominee) uitoefenend)
  5. esprit de l escalier (=geestig idee dat te laat komt)
  6. het geld groeit niet op de rug (=geld komt niet zomaar binnen, er moet hard voor gewerkt worden)
  7. het geluk ligt in een klein hoekje (=geluk komt onverwachts)
  8. een lintje krijgen (=geridderd worden - een compliment krijgen)
  9. de bak indraaien (=gevangen genomen worden)
  10. beer op sokken (=gezegd van een dik, plomp persoon)
  11. uit de verf komen (=goed bij anderen overkomen / zich doen opmerken)
  12. met een baksteen in de maag geboren worden (=graag een huis willen hebben dat van jezelf is, dat je eigendom is)
  13. geef mijn fiets terug (=grapje om Duitsers te wijzen op de Tweede Wereldoorlog, toen er veel fietsen geconfisqueerd werden)
  14. poot-aan spelen (=hard doorwerken (om op tijd te zijn))
  15. Die werkt als een paard zal haver eten. (=Hard werken is voor de meeste mensen geen garantie op een goed inkomen)
  16. Die werkt als een paard zal haver eten. (=Hard werken is voor de meeste mensen geen garantie op een goed inkomen.)
  17. een Homerisch gelach (=harde en gemene lach om het ongeluk, de mislukking of de handicap van tegenstrevers.)
  18. heb het hart eens (=heb de moed om dat te doen. (Eigenlijk: als je dat doet, zal ik je ongenadig straffen))
  19. te dom zijn om voor de duvel/duivel te dansen (=heel erg dom zijn)
  20. op een strowis komen aandrijven (=helemaal berooid en arm ergens komen)
  21. weer in het zadel helpen (=helpen om weer door te kunnen gaan)
  22. lest best (=het beste van alles komt op het einde)
  23. niet om de knikkers, maar om het spel (=het gaat niet om het winnen, maar om het spel)
  24. het is de toon die de muziek maakt (=het gaat om de manier waarop iets gezegd wordt)
  25. De gekken krijgen de beste kaarten (=Het geluk is met de dommen)
  26. het is een pleister op een zere wonde (=het is bedoeld om het leed wat te verzachten)
  27. beter laat dan nooit (=het is beter dat iets een beetje te laat komt, dan dat het nooit gebeurt)
  28. wie zijn eigen tuintje wiedt, ziet het onkruid van een ander niet (=het is beter om energie te steken in het verbeteren van jezelf, dan in het bekritiseren van anderen)
  29. makkelijker gezegd dan gedaan (=het is eenvoudiger om iets te zeggen dan om het ook daadwerkelijk uit te voeren)
  30. het is er zo veilig als vlees in een hondenkot (=het is er volkomen onveilig)
  31. Het is gezond om in het vuur te pissen (=Het is goed om hevigheid te kalmeren)
  32. vertrouwen komt te voet en gaat te paard (=het is makkelijker om iemands vertrouwen te schaden, dan te verkrijgen)
  33. met onwillige honden is het slecht hazen vangen (=het is moeilijk om samen te werken met mensen die niet willen)
  34. het is vlees noch vis (=het is niet bruikbaar, omdat het niet duidelijk is)
  35. late haver komt ook op (=het is niet omdat iets laat komt, dat het niet goed zou zijn)
  36. het is niet om de knikkers maar om het recht van het spel (=het is niet voor persoonlijk voordeel, maar omwille van de rechtvaardigheid)
  37. je weet nooit hoe een koe een haas vangt (=het kan altijd nog op onverwachte wijze tot een oplossing komen)
  38. het komt voor de bakker (=het komt in orde; het wordt geregeld)
  39. het is lood om oud ijzer (=het komt op hetzelfde neer)
  40. er komt moord en doodslag van (=het komt tot grote problemen)
  41. op zijn pootjes terecht komen (=het komt vanzelf wel voor elkaar)
  42. het eet geen brood (=het kost niets om het te bewaren, behoeft geen onderhoud)
  43. het leven is net een krentenbol, met af en toe een hard stukje (=het leven is niet een en al geluk maar kent soms ook tegenslag)
  44. het klopt als een zwerende vinger (=het past goed; het is logisch; het is volkomen juist; er is niets tegen in te brengen. (Equivalent aan: het sluit als een bus.))
  45. je ogen uitkijken (=het prachtig vinden om iets te zien)
  46. het venijn zit hem in de staart (=het slechtste komt op het laatste)
  47. iets uit het hoofd laten (=het vaste voornemen hebben om iets na te laten, iets niet doen)
  48. de vis wordt duur betaald (=het vergt veel opoffering ( je moet er wat voor over hebben) om te krijgen wat je wilt)
  49. niet thuis geven (=het verwachtingspatroon niet kunnen nakomen)
  50. wie het eerst komt, het eerst maalt (=het wordt toegekend aan degene(n) die het eerst komt)

Het dialectenwoordenboek kent 485 spreekwoorden met `om`

  1. Bilzers: alleen stoem minse blijve loemp (=nooit te blond om te leren)
  2. Harelbeeks: Ze stoan bek an bek (=Ze staan klaar om te vechten)
  3. Eindhovens: hedde gij un schup om meej te spaaie in de mast (=heb jij een schep om te graven in het bos)
  4. Eekloos: ge moe van nen vurten hond g'eten hèn om da te doen (=je moet zot zijn om zoiets te doen)
  5. Vlijtingens: Ene hele moagre muut rondspringe in de douche om noat te jonne (=een hele magere moet rondspringen in de douche om nat te worden)
  6. Munsterbilzen - Minsters: roeje mètte rieme daajste hëbs (=alle middelen zijn goed om je doel te bereiken)
  7. Munsterbilzen - Minsters: belofte mok sjuld en dae ze nie hult kraajg nen dikke bult (=beloften worden gemaakt om te houden)
  8. Bilzers: Da's mich prêl\r\nda kan mich nie boemme\r\ndas mich glijk (=Dat is mij om het even)
  9. Munsterbilzen - Minsters: doë bèn ich nie mèt opgezatte (=daar ben ik niet blij om)
  10. Mestreechs: un pans vuur op te sjiete (Pvots) (=een buik om op te poepen)
  11. Urkers: un kuiertjen mit de oto (=Een blokje om doen met de auto)
  12. Venloos: ik gaef dich 'ne stuiver asse de moul hilst (=gezang dat niet om aan te horen is)
  13. Betuws: gezai nog nie meej un riek te voeiere (=geen katje om zonder handschoenen aan te pakken)
  14. Westerkwartiers: hij zit goed ien 'e slabbe was (=hij heeft voldoende geld om handen)
  15. Waregems: ie es etanteerd veur da te doen (=hij is bekoord om dat te doen)
  16. Melseels: hij eed un bakkus om hout op te kappen (om boëmen op te klieven) (=hij is een lelijkerd)
  17. Westerkwartiers: hij vecht veur liefsbehold (=hij vecht om zijn gezicht niet te verliezen)
  18. Munsterbilzen - Minsters: men haan krievele (=ik heb goesting om een pak rammel uit te delen)
  19. Munsterbilzen - Minsters: moete kretse vürter te koeëme (=hard moeten werken om het doel te bereiken)
  20. Heezers: ze haote me zi den duvel, mer ik maok 't er ok um (=je vraagt er ook om)
  21. Munsterbilzen - Minsters: ter mèt zen klak noë goje (=niet de moeite doen om correct te werken)
  22. Waregems: 't steekt d'oögn' oit (=niet meer om aan te zien)
  23. Sint-Niklaas: mor mengs toch (=om zijn bezorgdheid te uiten zegt men dikwijls:....)
  24. Bilzers: daaj zal rap bekriëte zien (=ze zullen niet lang om haar rouwen)
  25. Walshoutems: Ich hêb mich onnuzel gespékkuleid. (=Zich onnozel denken om tot een oplossing te komen)
  26. Munsterbilzen - Minsters: zene sjoen zètte (=zijn schoen plaatsen om wat van sinterklaas te krijgen)
  27. Liempds: Ik ben um 7 ure aongerejen (=Ik ben vanmorgen om 7 uur vertrokken)
  28. Munsterbilzen - Minsters: daaj ès nie van gistere (=ze is geen kat om zonder handschoenen aan te pakken)
  29. Moorsel: Wo da ne zanger valt sto ne schoeër op (=Zingen om geld te krijgen op zingerkesdag)
  30. Oudenbosch: ijeetum wir om gat (=hij is weer dronken geweest)
  31. Steins: 't is mich sjiet egaal (=het is mij om het eender)
  32. Hams: om en vedrom (=heen en terug)
  33. Westerkwartiers: dat komt om 'e hoaverklap veur (=dat gebeurt regelmatig)
  34. Zeeuws: nou moe kdee-ut er nie om (=per ongeluk)
  35. Melseels: zijne kazak (om)droaan (=van mening veranderen)
  36. Rotterdams: Hij is nog te lui om onze lieve heer gedag te zeggen (=lui)
  37. Westerkwartiers: ze was liekbleek om 'e snuut (=zij was erg bleek)
  38. kortemarks: zis te dom om ooi teetn (=ze is zeer dom)
  39. Westfries: voor de kraam om kenne (=Zeer goed gekleed gaan)
  40. Melseels: Giëne noagel hèn om in zèn gat te kraun (=arm zijn)
  41. Giethoorns: Gien naegels om 't gat te kraben (=Armoede)
  42. Westerkwartiers: dat is bij de knorhoan'n om oaf (=dat is heel verschrikkelijk)
  43. Westerkwartiers: dat lugt d'r niet om (=dat komt hard aan)
  44. Zeeuws: ie is nog te leu om t hos te zien waai n (=lui)
  45. Zeeuws: merrehenochend om dezen tied ,a de koekoek heeste schiet (=morgen ochtend)
  46. Zeeuws: gjeen naogel om an zin hat te kraowen (=geen geld hebben)
  47. Lichtervelds: tis te dom om doîd te doen (=het is zeer eenvoudig)
  48. Oudenbosch: ij mot om klappes (=hij is ongeneeslijk ziek)
  49. Deinzes: 't ès om ziebe (=Het is kapot)
  50. Brakels: te lui om zijn kluut'n op tèffen (=heel lui)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen