Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

11 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `niet kunnen`

  1. het daglicht niet kunnen verdragen/zien (=iets wordt stiekem of oneerlijk gedaan)
  2. iemand niet kunnen luchten of zien (=een hekel aan iemand hebben)
  3. iemand niet kunnen zetten (=iemand niet aardig vinden)
  4. iemands maat niet kunnen halen (=aan iemand niet kunnen tippen)
  5. iets niet kunnen gebeteren (=iets niet kunnen verhelpen)
  6. niet kunnen hard maken (=niet kunnen bewijzen)
  7. niet kunnen hebben (=niet kunnen verdragen)
  8. niet kunnen heksen (=het niet zo snel afkunnen - er meer tijd voor nodig hebben)
  9. niet kunnen rijmen (=dingen die niet met elkaar kloppen of het samen niet kunnen begrijpen)
  10. zijn draai niet kunnen vinden (=ergens niet kunnen aarden)
  11. zijn gram niet kunnen halen (=machteloos woedend zijn)

25 betekenissen bevatten `niet kunnen`

  1. niet in iemands schaduw kunnen staan (=aan iemand absoluut niet kunnen tippen)
  2. iemands maat niet kunnen halen (=aan iemand niet kunnen tippen)
  3. niet kunnen rijmen (=dingen die niet met elkaar kloppen of het samen niet kunnen begrijpen)
  4. zinken als een baksteen (=direct zinken (niet kunnen zwemmen))
  5. er geen touw aan vast kunnen knopen (=door de onduidelijkheid niet kunnen begrijpen wat er wordt bedoeld)
  6. water en vuur zijn (=elkaar niet kunnen verdragen)
  7. zijn draai niet kunnen vinden (=ergens niet kunnen aarden)
  8. het antwoord schuldig blijven (=het antwoord niet kunnen geven)
  9. de vingers jeuken hem (=het bijna niet kunnen laten er op los te slaan)
  10. er niet bij kunnen (=het niet kunnen begrijpen)
  11. niet thuis geven (=het verwachtingspatroon niet kunnen nakomen)
  12. iemand het licht in de ogen niet gunnen (=iemand absoluut niet kunnen verdragen)
  13. een Tantaluskwelling zijn (=iets erg graag willen maar het (net) niet kunnen verkrijgen)
  14. ergens geen hoogte van kunnen krijgen (=iets maar niet kunnen begrijpen)
  15. iets niet met zijn geweten overeen kunnen brengen (=iets niet kunnen doen omdat men het niet goed vindt)
  16. iets niet kunnen gebeteren (=iets niet kunnen verhelpen)
  17. zijn oren niet geloven (=iets wat gezegd wordt, niet kunnen geloven)
  18. de zon niet in het water kunnen zien schijnen (=jaloers zijn, iets niet kunnen verdragen)
  19. het met zich zelf niet eens zijn (=niet kunnen beslissen)
  20. niet kunnen hard maken (=niet kunnen bewijzen)
  21. niets kunnen binnenkrijgen (=niet kunnen eten)
  22. de kriebel in zijn gat hebben (=niet kunnen stilzitten)
  23. de slappe lach hebben/krijgen (=niet kunnen stoppen met lachen)
  24. niet halen bij (=niet kunnen tippen aan)
  25. niet kunnen hebben (=niet kunnen verdragen)

Het dialectenwoordenboek kent 23 spreekwoorden met `niet kunnen`

  1. Hamonter: iemet nè kunne leie (=iemand niet kunnen uitstaan)
  2. Veurns: gin zittend gat hebben (=niet kunnen stilziten)
  3. Veurns: gin zitt'nde gat èn (=niet kunnen stilzitten)
  4. Sint-Niklaas: zèn toot blijve roeren (=niet kunnen ophouden met praten)
  5. Munsterbilzen - Minsters: iemes de stroeët taupitse (=niet kunnen verdragen dat een ander ook leeft)
  6. Lebbeeks: platvall'n: Vee de meet platvall'n (=De erectie niet kunnen behouden)
  7. Luyksgestels: 'r nie aon ùit kanne (=iets niet kunnen begrijpen)
  8. Veussels: wie wet da jom (=niet kunnen antwoorden)
  9. Budels: iemud nè kunne leie (=iemand niet kunnen uitstaan)
  10. Munsterbilzen - Minsters: iems nie konne laaje (=iemand niet kunnen uitstaan)
  11. Bilzers: nie konne laaje (=niet kunnen luchten)
  12. Lichtervelds: antoedn van snoens toet dn twoolvn (=niet kunnen onthouden)
  13. Bilzers: nie konne laaje (=niet kunnen uitstaan)
  14. Hals: op hiete stiene zitten (=niet kunnen wachten)
  15. Mestreechs: iech höb de hiel nach ligke krawwake (=de slaap niet kunnen vatten)
  16. Venloos: neet onder de veut oët kinne (=Je draai niet kunnen vinden)
  17. Munsterbilzen - Minsters: asset èn zene kop höbs, höbset nie èn zen K. (=niet kunnen wachten)
  18. Sint-Niklaas: dor èk gene pak op (=iets niet kunnen vatten, begrijpen)
  19. Genneps: Mit den kunde de klutte ok nie uuthaole (=niet kunnen samenwerken door domheid van iemand)
  20. Heerlens: vieëdel op vot, d'r wiehzer is kapot (=niet kunnen weten hoe laat het is)
  21. Bilzers: loemp ès ook vès, mer de kop dooch nie (=wel willen maar niet kunnen)
  22. Bosch: wah ge in oew kupke hed, hedde nie in oew kuntje (=Een idee hebben en niet kunnen wachten om het ten uitvoer te brengen.)
  23. Sint-Niklaas: ze zin on 't fezelen (=ze praten zeer stil tegen elkaar zodat anderen het niet kunnen verstaan)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen