Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


3 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `niet goed`

  1. niet goed bij zijn hoofd zijn (=niet goed wijs zijn, gekke dingen doen)
  2. niet goed bij zijn positieven zijn (=niet op zijn gemak zijn, een beetje ziek zijn)
  3. niet goed snik zijn (=gek zijn (iemand))

37 betekenissen bevatten `niet goed`

  1. in het donker zijn alle katten grijs/grauw (=als de situatie niet duidelijk is, zijn de zaken niet goed te beoordelen)
  2. oude paarden jaagt men aan de dijk (=als men zijn taak niet goed meer aankan, wordt men ontslagen)
  3. begaan zijn met (=bedroefd zijn omdat het met iemand niet goed gaat, meeleven met)
  4. aan de rem trekken (=een ontwikkeling proberen tegen te houden/ waarschuwen dat iets niet goed gaat)
  5. een onbekookt plan (hebben) (=een plan hebben waar niet goed over is nagedacht)
  6. geen twee kapiteins op één schip (=er moet maar één persoon de leiding hebben, anders gaat het niet goed)
  7. de klad zit er in (=het gaat niet goed)
  8. late haver komt ook op (=het is niet omdat iets laat komt, dat het niet goed zou zijn)
  9. er mankeert iets in zijn bovenkamer (=hij is niet goed bij zijn verstand)
  10. hij heeft een klap van de molen gekregen (=hij is niet goed meer bij zijn verstand)
  11. een van de vijf is uit kuieren (=hij is niet goed wijs)
  12. het scheelt hem in zijn bovenverdieping (=hij is niet goed wijs)
  13. iemand in zijn eigen sop gaar laten koken (=iemand aan zijn lot overlaten (iemand die iets niet goed gedaan heeft))
  14. in een slechte reuk staan (=iemand die niet goed bekend staat)
  15. liever iemand zijn hielen zien dan zijn tenen (=iemand niet goed kunnen verdragen)
  16. het niet op iemand hebben (=iemand niet goed kunnen verdragen)
  17. iets tegen iemand hebben (=iemand niet goed kunnen verdragen)
  18. iets niet met zijn geweten overeen kunnen brengen (=iets niet kunnen doen omdat men het niet goed vindt)
  19. met molentjes lopen (=in de war zijn, niet goed bij het verstand zijn)
  20. een slak op de goede weg, wint het van een haas op de verkeerde weg (=je kunt beter iets langzaam en goed doen, dan snel en niet goed)
  21. Ongelijke paarden trekken kwalijk. (=Mensen die teveel verschillen in kwaliteiten, werken vaak niet goed samen)
  22. nattigheid voelen (=merken dat er iets niet klopt of iets niet goed gevonden wordt)
  23. van lotje getikt zijn (=niet goed bij het verstand zijn)
  24. een klap van de molen (beet) hebben (=niet goed bij het verstand zijn)
  25. hij ziet ze vliegen (=niet goed bij het verstand zijn)
  26. liever van achteren zien dan van voren (=niet goed kunnen verdragen)
  27. het niet verzien hebben op (=niet goed kunnen verdragen)
  28. naar zijn woorden zoeken (=niet goed meer weten wat te zeggen)
  29. niet verder zien/kijken dan je neus lang is (=niet goed nadenken wat de gevolgen van iets zijn)
  30. te kort doen (=niet goed verzorgen, niet genoeg geven)
  31. niet goed bij zijn hoofd zijn (=niet goed wijs zijn, gekke dingen doen)
  32. uit zijn lood geslagen zijn (=verbaasd zijn, niet goed meer weten hoe het verder moet)
  33. wat men aan het zaad spaart verliest men aan de oogst (=verkeerde zuinigheid is niet goed)
  34. ze niet alle vijf hebben (=vreemd gedragen of niet goed bij het verstand zijn)
  35. hoe groter geest hoe groter beest (=wel verstandig, maar daarom niet goedhartig)
  36. het botert niet tussen hen (=ze kunnen niet goed met elkaar over weg)
  37. met zijn hoofd in de wolken (=zo gelukkig, blij zijn dat je niet goed oplet)

Het dialectenwoordenboek kent 153 spreekwoorden met `niet goed`

  1. Vaassens: Kats niet goed wies (=Helemaal niet goed wijs)
  2. Barghs: gi-j bunt niet goed wies (=je bent niet goed wijs)
  3. Riemsts: ene sjèle dove (=iemand die niet goed hoort en niet goed ziet)
  4. Tegels: Dae is neet gans richtig (=Hij is niet goed wijs)
  5. Zichers: het doag nei (=het is niet goed/lekker)
  6. Urkers: Je olle verstaand (=Je bent niet goed wijs)
  7. Heerlens: inge hui voet hà (=niet goed snik zijn)
  8. Veurns: ze vang'n (=niet goed wijs zijn)
  9. tervurens: flanelle bienen emme (=zich niet goed voelen)
  10. kortemarks: jee ze nie ollemoale toîpe (=hij is niet goed wijs)
  11. Brugs: ei eet stroent in zen oaren (=hij hoort niet goed)
  12. Roeselaars: jis van lotje getikt (=die is niet goed wijs)
  13. Zwevegems: t'n trekt nie. (=Die zaak draait niet goed.)
  14. Kanners: dat ès 'nen have gaore (=hij is niet goed snik)
  15. Zeeuws: zo binme nie etrouwd (=niet goed)
  16. Bilzers: de keis van zen sniëje lotte gaole (=niet goed opletten)
  17. Twents: ie bunt nie wies (=niet goed snik zijn)
  18. Veurns: Nie zjuste in 't oofd zien (=niet goed wijs zijn)
  19. Graauws: nie goe snik zijn (=niet goed wijs zijn)
  20. Westerkwartiers: giss'n is miss'n (=raden komt niet goed)
  21. tervurens: kzen ni in maan talluur (=U niet goed voelen)
  22. Zeeuws: t ei ter e spondert! (=tzat er niet goed)
  23. Giesbaargs: slappekes vuulen (=zich niet goed voelen)
  24. Vlijtingens: her es neij rèch sjuus (=hij is niet goed wijs)
  25. Westfries: Slecht reiden... (=Dat ging niet goed..)
  26. Oudenbosch: das nie sjaokies (=dat zit niet goed)
  27. Veurns: je vangt ze (=je bent niet goed wijs)
  28. Bilzers: De vings! (=Je bent niet goed wijs!)
  29. Waregems: olve goar'n, 'n vijze kwijt (=niet goed bij zinnen)
  30. Mestreechs: in dunne piepzak zitte (=niet goed er voor zitten)
  31. drents: Aolle Jan Toezel (=niet goed nadenkend persoon)
  32. Hals: stopsels in a uuren emme (=niet goed horen)
  33. Oudenbosch: daor kunde nog spurrie in zaaie (=dat is niet goed schoongemaakt)
  34. Neerharens: dè hait unne remmel los (=die is niet goed wijs)
  35. Steenwijks: in de buuse laoten pissen (=niet goed opletten)
  36. Veurns: op z'n oofd èvoll'n zien (=niet goed snik zijn)
  37. Zeeuws: ie leur me meultjes (=niet goed wijs)
  38. Zeeuws: tsa ter nie net zitten (=niet goed zitten)
  39. Zeeuws: di bin dr hin viere bedurven (=niet goed)
  40. Veurns: mo thoop' ang'n mi aak'n en oog'n (=niet goed ineenzitten)
  41. Bilzers: ne lauze gêk (=niet goed snik)
  42. Genneps: ow goed wies kapot hebbe (=niet goed snik zijn)
  43. Zeeuws: ie ei zn ola nie (=hij is niet goed wijs)
  44. Limburgs: hóbs ze gein oare aan de kop (=niet goed luisteren)
  45. Gents: kbein maor en alve panne (=zich niet goed voelen)
  46. Amsterdams: Je bent niet goed bij je kokosnoot (=Jij bent niet goed bij je hoofd)
  47. Steins: betòp zeen (=niet goed wijs zijn)
  48. Antwerps: zijde gij ni goe? (of: gaa zennichoeseker?) (=ben je niet goed wijs?)
  49. Oudenbosch: tissum in z n bovekaomer gesloge (=hij is niet goed snik geworden)
  50. Amsterdams: Hij hep een plaat foor s''n harses (=Hij is niet goed wijs)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen