Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek




66 betekenissen bevatten `leven`

  1. geen olie meer in de lamp hebben (=platzak zijn - levensmoe (of ernstig ziek))
  2. leven als een vis in het water (=totaal tevreden en onbekommerd leven)
  3. van liefde rookt de schoorsteen niet (=van de liefde alleen kan je niet leven)
  4. liever brood in de zak, dan een pluim op de hoed (=van eer kan men niet leven)
  5. zijn schaapjes geschoren hebben (=van zijn rente kunnen leven)
  6. voor galg en rad opgroeien (=vanaf de jeugd een levenspad volgen dat later waarschijnlijk naar criminaliteit leidt)
  7. om de dooie dood niet (=volstrekt niet, in geen geval, al kost het me mijn leven)
  8. op ieder potje past wel een dekseltje (=voor iedereen bestaat er een geschikte levenspartner)
  9. geen pot zo scheef of er past een deksel op (=voor iedereen is wel een levenspartner te vinden)
  10. Eten en drinken is geen beroep / ambacht. (=Werken is noodzakelijk om te kunnen leven.)
  11. Wie niet werkt zal niet eten. (=Werken is noodzakelijk om te kunnen leven.)
  12. de koe van de pastoor eet iedere dag mals gras (=wie trouw is aan machtige mensen, heeft een heerlijk leven)
  13. een vette keuken een mager testament (=wie veel uitgeeft tijdens het leven, laat weinig na)
  14. god noch gebod vrezen (=zich nergens iets van aantrekken - een misdadig leven leiden)
  15. een rare schaats rijden (=zich raar aanstellen, lichtzinnig leven)
  16. de troffel in de kalkbak gooien (=zijn beroep opgeven en van zijn rente gaan leven)

Het dialectenwoordenboek kent 126 spreekwoorden met `leven`

  1. Westerkwartiers: die het 'n leev'm as God ien Frankriek (=die heeft een schitterend leven)
  2. Westerkwartiers: die kirrel het 't heulemoal moakt (=die man is geslaagd in zijn leven)
  3. Wetters: zu duud as een piere (=er zit geen leven meer in)
  4. Moes: nog nie veur nen eigen ekker (=nooit van mijn leven)
  5. Roermonds: Eemes den dram aandoon (=Iemand het leven zuur maken)
  6. Westerkwartiers: 't is hier gien vetpot (=we kunnen niet royaal leven)
  7. Geuls: dae geit te gaerd aaf (=die zal niet lang meer leven)
  8. Diesters: get et lijveke vast (=ge hebt een gemakkelijk leven)
  9. Veurns: 't leev'n is vo de rappe (=het leven is voor de vluggerds)
  10. Oudenbosch: op z n leste bene lope (=niet lang meer leven)
  11. Bilzers: taere op nen aandre zen maol (=op iemands kosten leven)
  12. Munsterbilzen - Minsters: Vae hûbben de herlauges, zij den tijd (=Wij Westerlingen leven op het ritme van de klok, vele volkeren leven op het ritme van het leven)
  13. Munsterbilzen - Minsters: stoët ès stil bijt wonder dattet laeve ès (=het leven is geen snelweg maar kleine wandelpaadjes)
  14. Munsterbilzen - Minsters: dae ès al alzelaeve e bleuke enne bènnevètter (=die is al zijn hele leven verlegen en introvert)
  15. kortemarks: tsien de stoetste weezels die tmeest eiers zuupn (=het leven is voor de durvers)
  16. Sallands: Iederiene zol willn leem um old te wönn, mar völle wördt'r old zonder te leem. (=Iedereen zou willen leven om oud te worden, maar velen worden oud zonder te leven.)
  17. Brabants: beter un kort en goei leven as un lang en slecht (=beter een kort en goed leven dan een lang en slecht)
  18. Munsterbilzen - Minsters: dae het langste laef èsnen aadstraajer (=als je lang wil leven, moet je strijden)
  19. Herks: T'(e)is allemool gin hoor sneije. (=Het is niet eenvoudig, het leven is hard/moeilijk.)
  20. Westerkwartiers: hij het de schoapkes wel op 't dröge (=hij kan wel van zijn kapitaal leven)
  21. Lichtervelds: je goat ollichte de gèskantn ofrieën (=hij zal niet lang meer leven)
  22. Bilzers: zelfs den ermste knijn hét nog ne bontjas on (=ook armen hebben recht op een goed leven)
  23. Antwerps: van den eemelsen daa kunde ni leeve (=van de hemelse dauw kan je niet leven)
  24. Dilbeeks: Das verkeùt oan ma lève (=Zo erg dat het mijn leven verkort)
  25. kortemarks: achtr uus trekkn ze de lêir up (=geniet van het leven want het duurt maar even)
  26. Bilzers: ne laevetige mins kan iet mètmaoke! (=een mens maakt wat mee in zijn leven!)
  27. Lichtervelds: je moet doar ekièè jne pap mee koeln (=je moet daar eens mee leven)
  28. Bilzers: lot de kender nao mich koëme, de graute koëme vanzelf (=het leven behoort aan de jeugd)
  29. Sint-Niklaas: zèn pijp is veir uit; ès veir den ond gô voeieren (=hij zal niet lang meer leven)
  30. Westerkwartiers: niet uukleed'n veurda'j noar berre goan (=niet tijdens je leven de erfenis verdelen)
  31. Zeeuws: Die is verre geménd (=Die is bijna op het eind van zijn leven)
  32. Bilzers: aste slups béste daud (=leven doe je tussen het slapen en eten door)
  33. Steins: dae ruuk(stink) nao de sjöp (=Die heeft niet lang meer te leven)
  34. Antwerps: een stuk van je leven (=Wat gaan we eten?)
  35. Munsterbilzen - Minsters: spattele waaj terdievel ént wijwottervaot (=doen alsof je leven er van afhangt)
  36. Venloos: Dae löp met de plenk onder de jas. (=Die heeft niet lang meer te leven)
  37. Munsterbilzen - Minsters: dae dret zich üm èn ze graof (=die zou daarmee bij leven niet tevreden zijn)
  38. Munsterbilzen - Minsters: den heile werd lik on zen viet (=hij heeft het volle leven nog voor zich)
  39. Twents: 't leaven is as 'n keenderhèèmd, mest'ntieds te kort (=het leven is als een kinderhemdje, meestal te kort)
  40. Lichtervelds: j ee moa tleevn van ne roîboard ne mièè (=hij zal niet lang meer leven)
  41. Munsterbilzen - Minsters: gelëk hübbe ès : mei verdiene as zen vroo kan autgaeve (=je moet dubbel geluk hebben in het leven !)
  42. Munsterbilzen - Minsters: zen ziel aut ze lijf lope (=lopen alsof je leven ervan afhangt)
  43. Westerkwartiers: op 'e schop en 'e bonk leev'n (=op anderman's kosten leven)
  44. Bilzers: geld és drek mér én drek plante ze bloeme en griente (=geld is niet waard om voor te leven, maar het maakt het leven meer waard)
  45. Munsterbilzen - Minsters: de lots nog mèr èes heire daste nog laefs (=bij leven en welzijn hoor ik nog wel wat van je)
  46. Munsterbilzen - Minsters: tkos baeter, mèr dan worret dierder (=het kon wat beter met me gaan, maar dan werd het leven wel wat duurder)
  47. Munsterbilzen - Minsters: aste viël zups, laefste nie lang, mèr de zies wol alles draajdobbel (=drinken halveert je leven, maar je ziet dubbel zoveel)
  48. Weerts: de baedelnap en de gêldjbuul hânge gein hôngerd jaor aan dezelfdje duuër (=eens zal het anders gaan in je leven)
  49. West-Vlaams: eenn leven lik een Duutschen oorloge (=een hels lawaai)
  50. Hulsters (NL): al ze leven (=vast en zeker)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen