Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


41 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `leven`

  1. aan de pan blijven hangen/kleven (=zich om bestwil ergens mee bemoeien maar er slecht afkomen)
  2. alle mensen moeten leven (=gun de anderen ook wat)
  3. Binnenskamers gebleven (=Geheim gebleven)
  4. de mei van het leven (=de bloeitijd van het leven)
  5. een leven als een oordeel (=een verschrikkelijk lawaai)
  6. een leventje als een luis op een zeer hoofd (=een heerlijk leventje)
  7. een pater goedleven (=iemand die van het leven geniet)
  8. geen teken van leven meer geven (=niets meer van zich laten horen)
  9. het leven gaat niet altijd over rozen (=het is niet altijd zo mooi, iedereen heeft wel eens tegenvallers)
  10. het leven is geen zoete krentenbol (=het is niet altijd zo mooi, iedereen heeft wel eens tegenvallers)
  11. Het leven is meer dan eten en drinken. (=Alleen eten en drinken vult geen leven.)
  12. het leven is net een krentenbol, met af en toe een hard stukje (=het leven is niet een en al geluk maar kent soms ook tegenslag)
  13. het levenslicht aanschouwen/zien (=geboren worden)
  14. het lieve leventje gaande (=de ruzie begonnen - de poppen aan het dansen)
  15. hoop doet leven (=als je kan hopen op betere tijden, dan krijg je toch weer levenslust / zo lang je nog hoop hebt zijn er ook nog mogelijkheden)
  16. iemands levensdraad afsnijden (=doden)
  17. in het land der levenden (=op aarde, voor de dood)
  18. leven als een god in Frankrijk (=een aangenaam en zorgeloos leven hebben)
  19. leven als een oester (=geheel van de wereld afgezonderd leven)
  20. leven als een vis in het water (=totaal tevreden en onbekommerd leven)
  21. leven als vrienden en rekenen als vijanden (=vriendelijk met elkaar omgaan uit een soort van formaliteit maar eigenlijk helemaal niet zo op elkaar gesteld zijn)
  22. leven en laten leven (=iemand of iets z'n gang laten gaan en niet mee bemoeien)
  23. leven in de brouwerij brengen (=waar het rustig is activiteit, vrolijkheid of drukte inbrengen)
  24. leven uit de korf zonder zorg (=onbekommerd leven)
  25. Men eet om te leven, men leeft niet om te eten. (=Niet uitsluitend materiele zaken zijn van belang.)
  26. met het leven afgerekend hebben (=gaan sterven)
  27. morgen des levens (=de jeugd)
  28. niet bij brood alleen leven (=men heeft meer nodig dan alleen eten om te kunnen leven)
  29. niet van de wind kunnen leven (=moeten werken om alles te kunnen betalen)
  30. op de schobberdebonk leven (=dakloos zijn en/of bedelend leven)
  31. op grote voet leven (=veel geld uitgeven)
  32. op voet van oorlog zijn/leven (=erge ruzie hebben)
  33. op zijn zenuwen leven (=bijna overspannen geraken)
  34. schreeuwen of men levend gevild wordt (=heel hard schreeuwen)
  35. te weinig om te leven en te veel om te sterven (=een te kleine aalmoes)
  36. van de hand in de tand leven (=zo gauw iets verdiend is het meteen weer uitgeven zonder zorgen over later)
  37. veel beloven en weinig geven, doet de gek in vreugde leven (=veel mensen zijn al blij met een belofte en geloven alles)
  38. vissen hebben een goed leven (=het gelag niet betalen)
  39. zijn leven in de waagschaal stellen (=actie ondernemen waarbij het eigen leven in gevaar kwam)
  40. zo lang er leven is, is er hoop (=hoe slecht het ook staat, zolang nog niet alles verloren is, kan alles nog goed komen)
  41. zolang er leven is, is er hoop (=er is altijd hoop, dus geef nooit op!)

66 betekenissen bevatten `leven`

  1. zijn leven in de waagschaal stellen (=actie ondernemen waarbij het eigen leven in gevaar kwam)
  2. Het leven is meer dan eten en drinken. (=Alleen eten en drinken vult geen leven.)
  3. hoop doet leven (=als je kan hopen op betere tijden, dan krijg je toch weer levenslust / zo lang je nog hoop hebt zijn er ook nog mogelijkheden)
  4. begaan zijn met (=bedroefd zijn omdat het met iemand niet goed gaat, meeleven met)
  5. Groot bal op kleine aardappelen (=Boven zijn stand leven)
  6. op de schobberdebonk leven (=dakloos zijn en/of bedelend leven)
  7. daar kan de schoorsteen niet van roken (=dat brengt niets op / men kan niet alleen van vriendelijke woorden leven)
  8. de mei van het leven (=de bloeitijd van het leven)
  9. ars longo vita brevis (=de kunst blijft lang en het leven is kort)
  10. De groten rijden te paard en de kleinen hangen tussen hemel en aarde. (=De machtige lui leven op kosten van de gewone man)
  11. iemand kunnen maken en breken (=de mogelijkheid hebben te beslissingen over iemands leven en dood en welbevinden)
  12. leven als een god in Frankrijk (=een aangenaam en zorgeloos leven hebben)
  13. zijn hemel op aarde verdienen (=een goed en eerlijk leven leiden)
  14. een leventje als een luis op een zeer hoofd (=een heerlijk leventje)
  15. een land van melk en honing zijn (=een land waar het goed en voorspoedig leven is)
  16. de oude mens afleggen (=een nieuw leven beginnen - beterschap beloven)
  17. aan de zwabber zijn (=een onbezorgd leventje leiden)
  18. rusten aan abrahams borst (=een rustig, aangenaam leven leiden)
  19. Eerst eten dan kwijlen. (=Eerst leven dan filosoferen.)
  20. een vogel in de auto rijden (=elk geval kan overal mee leven)
  21. goede sier maken (=er (overdreven) goed van leven / goed overkomen bij anderen)
  22. geld maakt niet gelukkig (=er is meer in het leven dan rijkdom)
  23. zijn plezier niet opkunnen (=er veel plezier aan beleven)
  24. ergens muziek in zitten (=ergen veel van kunnen verwachten en/of plezier van beleven)
  25. goed en bloed voor iets offeren (=ergens alles voor over hebben (goed=bezittingen, bloed=het leven))
  26. de kraag kosten (=ergens bij om het leven komen)
  27. Eten en drinken houdt lijf en ziel bijeen. (=Eten en drinken blijven levensbehoeften.)
  28. het hoofd boven water houden (=financieel rondkomen, juist genoeg geld hebben om te kunnen leven)
  29. eten uit de korf zonder zorg (=geen zorgen meer hebben over zijn levensonderhoud)
  30. leven als een oester (=geheel van de wereld afgezonderd leven)
  31. Binnenskamers gebleven (=Geheim gebleven)
  32. geluk is de kunst een boeket te maken van de bloemen waar je bij kunt (=gelukkig leven met de gegeven mogelijkheden/beperkingen)
  33. zijn koetjes op het droge hebben (=genoeg (geld) hebben voor de rest van het leven)
  34. het is altijd rouwen en trouwen (=het leven is een afwisseling van goede en slechte tijden)
  35. het leven is net een krentenbol, met af en toe een hard stukje (=het leven is niet een en al geluk maar kent soms ook tegenslag)
  36. een pater goedleven (=iemand die van het leven geniet)
  37. iets met de moedermelk binnenkrijgen (=iets leren in de eerste levensjaren)
  38. in een glazen huis wonen (=iets op zijn kerfstok hebben / geen privéleven hebben)
  39. in het aanzijn roepen (=in het leven roepen)
  40. onder de vijgenboom rusten (=in rust en welstand leven)
  41. geef een man een vis dan heeft hij die dag te eten (=je kunt iemand beter leren vissen dan heeft hij z`n leven lang vis te eten)
  42. de tering naar de nering zetten (=leven met de middelen die men heeft)
  43. op zijn vet teren (=leven van gespaard geld)
  44. niet bij brood alleen leven (=men heeft meer nodig dan alleen eten om te kunnen leven)
  45. met iemand breken (=met iemand niet meer verder werken, leven)
  46. op rechte wegen gaan (=niet zondig leven)
  47. er de dood in de pot zijn (=niets te beleven zijn)
  48. leven uit de korf zonder zorg (=onbekommerd leven)
  49. plak en gard ontwassen zijn (=ook zonder begeleiding wel kunnen leven)
  50. Eerst komt het eten dan de moraal. (=Overleven is belangrijker dan het volgen van regels.)

Het dialectenwoordenboek kent 126 spreekwoorden met `leven`

  1. Bilzers: boeren en vérke knorre altijd (=tevreden zijn is een levenskunst)
  2. Diesters: zennen tijt wuit kuit (=weinig levenstijd)
  3. Geffes: Tis kort dag (=Weinig levenstijd meer hebben)
  4. Sallands: Hi'j döt alles wat God verbeud'n hef. (=iemand met een losbandige levenstijl:)
  5. Melseels: z'n ekken oan nen andere stoak hangen (=zijn levensstijl veranderen)
  6. Liwwadders: un bitsje te druk (=iets te levendig)
  7. Aspers: ze is pertig (=ze is heel levendig)
  8. Zaltbommels: ik he mun ouwelui netjes oan het end gebrocht (=ik heb mijn vader/moeder in hun laatste levensfase verzorgt)
  9. Genneps: Duu.t hin (=leven en laten leven)
  10. loois: erremoei troef! (=in armoede leven)
  11. Ninoofs: leven van 'n emelsken dau (=gratis leven)
  12. Hulsters (NL): op andermans kap leven (=op andermans kosten leven)
  13. Lokers: een levende weeve (=een vrouw wiens echtgenoot voor lange en/of onbepaalde tijd weg is)
  14. Sint-Niklaas: ne flierefluiter (=een losbandig leven leiden)
  15. Zeeuws: ze leevn uut ut kurfje zonder zurruhun (=makkelijk leven)
  16. Tilburgs: naanie, dannie en nòòtnie (=nooit van mijn leven)
  17. Waregems: noeit vanz(e) leev'n! (=nooit van mijn leven!)
  18. Diesters: oep de poef lijve (=op krediet leven)
  19. Munsterbilzen - Minsters: van den hiemelse doo laeve (=gierig leven)
  20. brabants: ge bent unne schaafloper (=op andermans kosten leven)
  21. Westerkwartiers: onkruud vergijt niet (=slechte mensen leven lang)
  22. Moorsel: op zenne zak zitten /op zen besse zien (=zuinig leven)
  23. Munsterbilzen - Minsters: daste naogel on men daudskis (=dat verkort mijn leven)
  24. Bilzers: Laeve waaj God èn Frankrèk (=leven als God in Frankrijk)
  25. Genneps: Gènne zóndag hèbbe (=Geen aangenaam leven hebben)
  26. Veurns: 't Nie meeë lange trekk'n (=Niet meer lang leven)
  27. Doornspijks: hij hef een leven als een luus op een zeer heuf (=hij heeft een goed leven)
  28. Munsterbilzen - Minsters: et nimei lang trèkke (=kort leven, lang dood)
  29. Westerkwartiers: leev'm as God ien frankriek (=uitbundig en goed leven)
  30. Susters: nog neet missjien (=van zijn leven niet)
  31. Pamels: de reuk van de scha zeften (=zeer krenterig leven)
  32. Gents: achter oens trekke ze de liere op (=geniet van het leven want ...)
  33. Bilzers: Doë ès 't allendaog pênneke vèt (=Daar is het goed leven)
  34. Twents: aj gin kop hebt, ku'j nig noar boet'n kiek'n (=boven je stand leven)
  35. Munsterbilzen - Minsters: van dik hoot planke zaege (=er op los leven)
  36. Lauws: j' is ant sleren (=Hij zal niet lang meer leven)
  37. Munsterbilzen - Minsters: op zen leste been loope (=niet lang meer leven)
  38. Tilburgs: al zun lèève (=vast en zeker, zijn hele leven)
  39. Huizers: haij het een leven as een luis op een zeer hoofd (=hij heeft een goed leven)
  40. Tegels: leave [=leven] maken (=lawaai maken)
  41. Bilzers: blijven ojeme en de wiës nog honned jaor aad (=hoop doet leven, en zolang er leven is is er hoop)
  42. Brakels: uger kakken dan da zij gat stoat (=Boven zijn stand leven)
  43. Munsterbilzen - Minsters: laeve van den hiemelse doo (=leven van de liefde)
  44. Merenaars: oepen en toepen (=eender wat doen, erop los leven)
  45. Bilzers: op nen aandre zene kap(maoël) laeve (=op iemands zakken leven)
  46. Munsterbilzen - Minsters: asof ze laeve ter van aof hink (=op leven en dood)
  47. Stekens: in 't joar iën, as d'uilen preken (=nooit van z'n leven)
  48. Gents: achter oens trekke ze de liere op (=profiteer van het leven)
  49. Bilzers: doë ès 't allendaog pênneke vèt (=dar is het goed leven)
  50. Liedekerks: hoeëger skoëtn as da ze gat staut (=boven zijn stand leven)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen