Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


Het dialectenwoordenboek kent 194 spreekwoorden met `late`

  1. Steins: wie later op den aovend, wie sjoeander de luuj (=de beste gasten komen het laatst)
  2. Oudenbosch: bendal wiesse (n)appe ? (=heb je je al een gebit laten aanmeten ?)
  3. Zottegems: Hij is 'land uit, hij is nor Wetrn goan weun (=Iemand die vertrokken is zonder adres na te laten)
  4. Sint-Niklaas: iets loate(n) betijn (=iets zijn gang laten gaan zonder in te grijpen)
  5. Roeselaars: Ge moet de koas nie van tusn joen stuuten loaten pakn (=Je moet zich niet laten doen)
  6. wijlres: doe mós dich neet op d'r kop laote sjiete (=men moet zich niet laten ringeloren)
  7. Antwerps: Da's is m'n klote kusse ! (=Moge ze me met rust laten, met hun problemen)
  8. Oudenbosch: zijde van de trap gevalle ? (=wat heb je je haar kort laten knippen)
  9. Bilzers: op zene kop lotte sjijte; seg lotte bezeeke (=zich laten voor de gek houden)
  10. Munsterbilzen - Minsters: zene keis lette pakke (=zijn kaas van het brood laten nemen)
  11. Steins: get laote versjengelere (=iets laten onderkomen door slecht onderhoud)
  12. Oudenbosch: dan mot oeweige betets late n-ore (=als je het maar op tijd laat weten)
  13. Steins: Hae liët zich de vot noadrage (=alles door anderen laten opknappen)
  14. Bilzers: doë moeste gee graos lette iëver wasse (=die kans mag je niet laten varen)
  15. Westerkwartiers: je kenn'n de vogel an zien veer'n (=je herkent iemand aan zijn doen en laten)
  16. Oudenbosch: ge mot oew eige nie laote kieste (=je moet je niet laten klein krijgen)
  17. Sint-Niklaas: 'k go min dochter de noad loaten doen (=ik ga mijn dochter de naaistiel laten leren)
  18. Sint-Niklaas: iemand (iets) achternoarlopen (=iemand niet met rust laten, moeite doen voor iets)
  19. Tilburgs: wè klòpt, motte laote blèève klòppe (=wat goed is, moet je zo laten)
  20. Lokers: z' eet aen eur klinke (=ze heeft zich laten doen, ze is bedrogen)
  21. Steins: zich laoten aaftrèkke (=een (portret) foto laten maken (vroeger))
  22. Westfries: Ientje oflègge (=Iemand afzette, teveel laten betalen)
  23. Twents: aske ie wilt flitsen mot ie de boks, bokse loat`n zakken.* (=als je wilt flitsen dan moet je de broek laten zakkken.)
  24. Twents: A'j Plat kuiern könt, mö'j ’t nie loatn! (=Als je twents kunt spreken moet je het niet laten!)
  25. Lebbeeks: boerke: da kind moe nog 'n boerke laut'n (=Dat kindje moet z'n maag nog laten keren)
  26. Achterhoeks: a'j plat könt praoten, mo'j ut neet laoten (=als je plat kan praten moet je het niet laten)
  27. Sallands: A'j plat könt proat'n, mu-j 't niej loat'n (=als je plat kan praten moet je het niet laten)
  28. Lokers: 'k zal 't em wal in zijn sause duen (=Ik zal het hem wel heel voorzichtig laten weten)
  29. Waregems: iemand (iets) in plan loat'n/ loat'n zitt'n (=iemand (iets) in de steek laten (qua werk, klus))
  30. Moorsel: A ne ke goe louten betingelen is goe tegent flesoën (=U eens goed laten benetelen is goed tegen de reuma)
  31. Westerkwartiers: wel 't eerst vernemt, het 't zelf ien 't hemd (=wie de scheet het eerst ruikt, heeft die zelf laten waaien)
  32. Weerts: Waat de kop vergitj, mótte de bein besnete (=Als je iets hebt laten liggen, moet je terug gaan)
  33. Achterhoeks: a'j plat kunt praotn, mo'j 't neet laoten (=Als je plat kunt praten, moet je het niet laten!)
  34. Oudenbosch: oe laotte gij de kat bukke? (=denk je dat je hem kunt laten doen wat je van hem verwacht?)
  35. Oudenbosch: edder veul motte laote snokke ? ( bij de Gud aon ut spoor 1950 ) (=heb je veel tanden moeten laten tr ekken ?)
  36. Sint-Niklaas: 't al kaks zeigen; al kaks zeétte zot zèn ménink (=zich, zogezegd ongewild maar toch met opzet, iets laten ontvallen)
  37. Hendrik-Ido-Ambachts: 'm Flink uit je broek laten hangen (=Diep in de buidel tasten)
  38. Tilburgs: hij hò un pòtverdommeke laote staon èn sondags droeg ie un nondejuuke. (=hij had een klein sikje laten groeien en 's zondags droeg hij een vlinderdasje.)
  39. Kinrooi: Stèltj neet oet tot mörge waat gae vandaag door 'nen angere kóntj laote doon! (=Stel niet uit tot morgen wat je vandaag door een andere kan laten doen!)
  40. Koersels: Ze gat dur de haag stjeken (=Op het moment dat het er toe doet zich er niets meer van aan trekken en de anderen het probleem laten oplossenlaten oplo)
  41. Bilzers: 's Mérges zèk de boer : de hoes nie te joëge of te drijve, ve zulle gemêkkelek gedoën krijge.s' Oëves zekter dan : Ver hoeve nimei te jöëge of te drijve, ve zulle toch nimei gedoën krijge (=nooit laten opjutten !)
  42. Bosch: schàt nie, vur da ge oewen boks het laten zakken (=eerst luisteren, dan tegenspreken)
  43. Twents: Iej könt oe pas joonk veulen a'j oald bint en dan is ' te late (=Je kunt je pas jong voelen als je oud bent en dan is het te laat)
  44. Evergems: Hé zal moetn toe zijn om azuen schure uit de dessen. (=Hij zal van goeden huize moeten zijn om die vrouw aan haar trekken te laten komen.)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen