Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek




126 betekenissen bevatten `late`

  1. pappen en nathouden (=situatie min of meer ongewijzigd te laten zonder een beslissing te nemen of daadwerkelijk een probleem op te lossen)
  2. strak houden (=streng opvolgen - weinig toelaten)
  3. op een klein pitje zetten (=tijdelijk laten wachten, slechts langzaam laten verdergaan)
  4. de mond roeren (=van zich laten horen, spreken)
  5. voor galg en rad opgroeien (=vanaf de jeugd een levenspad volgen dat later waarschijnlijk naar criminaliteit leidt)
  6. met stille trom vertrekken (=vertrekken zonder iemand het te laten weten)
  7. in zijn hemd laten staan (=voor schut laten staan)
  8. als een bok op de haverkist (=wakend om de gelegenheid niet te laten voorbijgaan)
  9. vrienden in nood, honderd in een lood (=wanneer er zich problemen voordoen, laten vrienden je vaak in de steek)
  10. poppetje gezien kastje dicht (=we laten het even zien, maar daarna is het voorbij)
  11. wie in een glazen huis woont moet niet met stenen gooien (=wie schuldig is, moet zich niet laten opmerken)
  12. zich met hand en tand verzetten (=zich heftig verzetten en er alles aan doen om het niet te laten doorgaan)
  13. het achterste van je tong (niet) laten zien (=zich (niet) meteen laten kennen; (n)iets verbergen)
  14. zich de kaas niet van het brood laten eten (=zich de voordelen niet zomaar laten afpakken)
  15. niet erg vast in de schoenen staan (=zich gemakkelijk laten ompraten)
  16. zich iets laten aanleunen (=zich iets laten welgevallen)
  17. zich de kaas van het brood laten eten (=zich laten ontnemen waarop men recht heeft)
  18. aan de vishaak bijten (=zich laten vangen, toehappen)
  19. op de pit leunen (=zich laten voorzeggen (door toneelspelers))
  20. onder ogen komen (=zich laten zien)
  21. zich iets op de hals halen (=zich met een probleem laten opzadelen)
  22. met de klompen van het ijs blijven (=zich met iets niet inlaten)
  23. op zijn stuk staan (=zich niet laten ompraten en bij de eigen mening blijven)
  24. een laag profiel houden (=zich niet laten opmerken)
  25. van de hand in de tand leven (=zo gauw iets verdiend is het meteen weer uitgeven zonder zorgen over later)
  26. geen spier vertrekken (=zonder enige emotie over zich heen laten gaan)

Het dialectenwoordenboek kent 194 spreekwoorden met `late`

  1. Bilzers: aander vër zen kaar spanne (=anderen voor zich laten werken)
  2. Hoekschewaards: D'n haering over 't hôôd gezaaild (=De kans voorbij laten gaan)
  3. Zaans: de veugel over 't touw évloge (=de kans voorbij laten gaan)
  4. Geels: er zen eige gen best van oantrekke (=het zich niet laten aangaan)
  5. Twents: eene flink an de pinne loat'n roek'n. (=iemand hard laten werken)
  6. Westerkwartiers: één uut de tent lokk'n (=trachten iemand te laten praten)
  7. Munsterbilzen - Minsters: èn zen maole lotte zitte (=zich geld laten aftruggelen)
  8. Genneps: Heúr op de tá.nd hebbe (=Zich niet gek laten maken)
  9. Munsterbilzen - Minsters: haaj reik get aongebrand ! (=wie heeft er ééntje laten vliegen)
  10. Giethoorns: iene mit de kop in de zak laoten zitten (=iemand in het ongewisse laten/ Iemand in eigen sop gaar laten koken)
  11. Oudenbosch: die kaans motte waorneme (=dat kun je niet laten lopen)
  12. Sint-Niklaas: er een aaman uis van moaken (=iets lang laten duren)
  13. Veurns: Loat'n 't is, best'n ol! (=laten zoals het is, dat is het beste)
  14. Merenaars: da ligt dor weer te raun (=slordig in de weg laten liggen)
  15. kortemarks: jeet em loatn vliendern (=hij heeft zich laten bedriegen)
  16. Hams: ge et da hier weer louten rein (=je hebt iets laten liggen)
  17. Veurns: 'r achterste van je toenge nie loat'n zieën (=zich niet laten uithoren)
  18. Ursels: wordt gezegd tegen iemand waarvan men denkt dat hij geen deftige job zal vinden (=wa gaade later worden strontraper achter den trein)
  19. Bilzers: De wilstech nog joenk vürdoen aste al aad bés, mér dan ésset viël te laot (=Wacht niet tot later met wat je nu nog kan doen)
  20. Twents: Wel te late is opstoan, möt n heeln dag op n draf goan (=Achter de feiten aanlopen)
  21. Westfries: Ze heb de aker in de bak valle late (=Nog voor het huwelijk zwanger raken)
  22. Munsterbilzen - Minsters: wie laoter opten oëved,wie sjünner de laaj (=Des te later de avond, des te mooier volk)
  23. Lokers: ij eed'em bij den bok loauten dune (=hij heeft zich laten bedriegen)
  24. Sint-Niklaas: 't is ne vrouzot (=hij kan geen enkele vrouw met rust laten)
  25. Sint-Niklaas: iemand poütsje schjeiren (=iemand laten vallen over je uitgestoken been)
  26. tervurens: trekt aa fuur (=iemand laten weten dat hij het zelf moet doen)
  27. Bilzers: twos n kraem vannen vroo, ich hûber aofgelék en heil opgeaete (=iets lekkers mag je nooit laten staan)
  28. Lichtervelds: ge moe nie loatn oender jn duuvn schietn (=je moet je niet laten benadelen)
  29. Ransts: ga mut nog gon hoewe zejker (=iemand die zijn broek heeft laten open staan)
  30. Venloos: Katte en wièver mótte thoès bliève (=Men kan zijn vrouw beter thuis laten)
  31. wijlres: doe m's dich neet op d'r kop laote sjiete (=men moet zich niet laten ringeloren)
  32. Westerkwartiers: ok 't beste peerd strukelt wel es (=ook de besten laten wel eens een steekje vallen)
  33. Munsterbilzen - Minsters: vrümde minse vër zen kaar spanne (=zijn zaakjes laten oplossen door buitenstaanders)
  34. Munsterbilzen - Minsters: de sjaune authange (=zich van zen goede kant laten zien)
  35. Giethoorns: De laatste drop,is de boterknop (=Bij borstvoeding.de borst flink leeg laten drinken)
  36. Westerkwartiers: nou loat ik dij loop'n en nou bromst ook nog (=bij het laten van een windje :)
  37. Zeeuws: du bliende du kar leten troken (=de blinde de kar laten trekken)
  38. Oudenbosch: aortje naor z n vaortje ebbe (=laten zien waar je vandaan komt)
  39. Heerlens: wentste mit die moel mòs goa eate, kriegste mië sjleag es get angesj (=na laten van een scheet)
  40. Gents: konseer veur duuve, nen achterklap, die tiest geriekt, zijn olleke die piept (=een windje laten)
  41. Nijmeegs: hij het de perreplu ien de herremenie laote staon (=Hij heeft zijn paraplu in de harmonie laten staan)
  42. Westerkwartiers: één gie strobreed ien 'e weg legg'n (=iemand rustig laten geworden)
  43. Brugs: jen oar an de stake drohen (=je haar vanzelf laten drogen (zonder te blazen))
  44. Sint-Niklaas: ge meugdô zoû (kalot) ies loaten afdoen (=je moet dringend je haar laten knippen)
  45. Tilburgs: ge mot ut intèts laote weete (=je moet het tijdig laten weten)
  46. Genneps: Zich de pis nie law laote maake (=Zich niet onder druk laten zetten)
  47. Veurns: èn oogsj' èn op etwieën (=zijn oog laten vallen hebben op iemand)
  48. Munsterbilzen - Minsters: onder zen dauve lotte sjiete (=zich de kaas van de boterham laten nemen)
  49. Bilzers: tés geen daudzin métten vroo te sloëpe, waol dërter wakker blijve lengs te ligge (=Laat nooit een kans onbenut waarvan je later spijt kan hebben)
  50. Amsterdams: Hij hep een koekie uit het trommeltje late falle (=Hij heeft een scheet gelaten)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen