Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


20 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `kwaa`

  1. de kwaaie pier (=de schuldige)
  2. elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=men moet zich niet zorgen maken over de toekomst)
  3. geen vlieg kwaad doen (=uitsluitend goede bedoelingen hebben, niemand tot last zijn)
  4. geen zorgen voor morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=de moeilijkheden van vandaag zijn genoeg om je zorgen over te maken)
  5. gierigheid is de wortel van alle kwaad (=door gierigheid ontstaan er veel problemen en is er veel ellende in de wereld)
  6. goed geld naar kwaad geld gooien (=geld ergens insteken waarvan bekend is dat het verlies oplevert)
  7. goedschiks of kwaadschiks (=met of tegen de zin)
  8. het kwaad loont zijn meester (=wie kwaad doet, kwaad ontmoet)
  9. het kwaad straft zichzelf (=wie kwaad doet, kwaad ontmoet)
  10. het middel is erger dan de kwaal (=de oplossing veroorzaakt nog meer schade)
  11. kattenkwaad uithalen (=kwajongensstreken)
  12. kwaad bloed zetten (=ongunstig onthaald worden, kwaad maken)
  13. kwaad bloed zetten (=iemand boos maken)
  14. Met hem is het kwaad kersen eten. (=Het is beter hem te mijden.)
  15. met hoge heren is het kwaad kersen eten (=van de omgang met aanzienlijke personen moet men niet altijd voordeel verwachten)
  16. Tegen de stroom is het kwaad roeien / zwemmen (=Tegen algemene opvattingen kan men zich moeilijk verzetten)
  17. van de prins geen kwaad weten (=uiterst argeloos zijn)
  18. van kwaad tot erger komen/vervallen (=steeds erger worden)
  19. wee de wolf die in een kwaad gerucht staat (=als je je goede naam verliest is die haast niet terug te winnen)
  20. zo kwaad als een spin zijn (=erg kwaad zijn)

33 betekenissen bevatten `kwaa`

  1. in hetzelfde gasthuis ziek liggen (=aan dezelfde kwaal lijden)
  2. fiolen van toorn over iemand uitstorten (=aan iemand duidelijk laten blijken dat je kwaad op diegene bent)
  3. Een oorblazer (=Een kwaadspreker)
  4. op oud ijs vriest het licht (=een oude kwaal komt gemakkelijk weer boven)
  5. onze Lieve Heer heeft rare/vreemde kostgangers (=er bestaan nu eenmaal merkwaardige mensen)
  6. op de achterste benen staan (=erg kwaad worden)
  7. zo kwaad als een spin zijn (=erg kwaad zijn)
  8. iemand wel kunnen villen (=erg kwaad zijn op iemand / Een erge hekel hebben aan iemand)
  9. de bijl aan de wortel leggen (=het kwaad in de oorsprong trachten uit te roeien)
  10. de oude zuurdesem (=het oude kwaad)
  11. met gelijke munt betalen (=hetzelfde kwaad terugdoen)
  12. de kat in de gordijnen jagen (=iemand goed kwaad maken)
  13. achter iemand zoeken (=iemand kwaad proberen te doen)
  14. het onweer is niet van de lucht (=iets dat steeds blijft doorgaan of iemand die telkens weer kwaad tekeer gaat)
  15. de kat(jes) in 't donker knijpen (=kwaad doen waar niemand het ziet)
  16. uit zijn slof schieten (=kwaad uitvallen, boos worden )
  17. de kuif opsteken (=kwaad worden)
  18. zich wel voor de kop kunnen slaan (=kwaad zijn op zichzelf over het feit dat men ergens niet aan gedacht heeft)
  19. over de doden niets dan goeds (=men ziet kwaadspreken over overledenen als iets heel onbeleefd, er mag niet gespot worden met de dood)
  20. zijn gemak houden (=niet te veel werk doen, niet kwaad worden)
  21. kwaad bloed zetten (=ongunstig onthaald worden, kwaad maken)
  22. werken als een rode lap op een stier (=onmiddellijk erg kwaad maken)
  23. Ook het beste paard struikelt wel eens. (=Ook de deugdzaamste en bekwaamste faalt wel eens)
  24. iemand naar de keel vliegen (=op iemand erg kwaad worden, aanvallen, ermee vechten)
  25. honi soit qui mal y pense (=schande over hem die er kwaad over denkt)
  26. van de gaffel in de greep (=van kwaad tot erger)
  27. het kwaad loont zijn meester (=wie kwaad doet, kwaad ontmoet)
  28. het kwaad straft zichzelf (=wie kwaad doet, kwaad ontmoet)
  29. die wind zaait zal storm oogsten (=wie kwaad doet, zal er uiteindelijk zelf de gevolgen van dragen)
  30. uit zijn vel springen (=zeer kwaad zijn)
  31. zich op de lippen bijten (=zich inhouden (niet lachen of kwaad worden))
  32. zich druk maken over (=zich kwaad maken om, zich aantrekken van)
  33. een ongeluk begaan (=zodanig kwaad zijn dat er `n ongeluk van komt)

Het dialectenwoordenboek kent 110 spreekwoorden met `kwaa`

  1. Zaans: Altoid ziek en nooit dôôd (=Altijd kwaaltjes hebben)
  2. Vejels: die hei ne kop lak ne moeër (=een nors, kwaadkijkend persoon)
  3. Munsterbilzen - Minsters: iemes terdoër trèkke (=van iemand kwaadspreken)
  4. Langemarks: é tange van é wuf (=een kwaaie vrouw)
  5. Kaatsheuvels: des nun kwaast (=verwaand iemand)
  6. tervurens: aa kloesj kwaat zaan (=uw kluts kwijt zijn)
  7. Doornspijks: as de kikkers kwaakn, kriej reegn. (=regenvoorspelling)
  8. Geels: iemand de groond in bore (=van iemand kwaadspreken)
  9. Sint-Niklaas: iemand koejoneren (=het iemand kwaadwillig zeer lastig maken)
  10. Oudenbosch: ij kwaam as eurste deur (=hij lag voorop)
  11. Westerkwartiers: da's 'n kwaalster (=dat is een naar persoon)
  12. Tilburgs: kwaansele zò sund zèèn (=knoeien zou zonde zijn)
  13. Tilburgs: hè reej um verèkkes (=hij sprong uit zijn vel van kwaadheid)
  14. Oudenbosch: ij reetum (=hij was kwaad)
  15. Bilzers: autze vel springe (=kwaad reageren)
  16. Walshoutems: Se in heur/zen eige vet loate stoave. (=Geen aandacht meer geven aan iemands kwaadheid)
  17. Steins: eine minsj bekalle (=kwaadspreken over iemand;)
  18. Liessents: kwaap (=net uit het ei gekropen vogeltje)
  19. Oudenbosch: da kwaam as ne beer op sokke gelijk (=dat deed zich onverhoeds voor)
  20. Geels: das nen halve war , das genne juste , diejen is een vaas kwaat (=die is niet 100)
  21. Munsterbilzen - Minsters: versjangeniëre (=kwaad maken)
  22. Zeeuws: ie ei dn bobber in (=kwaad)
  23. Tilburgs: meej hôope kwaame ze aongelôope (=ze kwamen met velen)
  24. Gents: ij ee en vies haar is zijn ol (=hij is kwaad)
  25. Munsterbilzen - Minsters: hae kraajchet opzen heupe (=hij wordt stilaan kwaad)
  26. Westerkwartiers: hij sprong uut zien vel (=hij werd razend kwaad)
  27. Bilzers: ës defteg aut zen kramme sjiete (=goed kwaad worden)
  28. Bilzers: iemed sjeef bekieke (=iemand kwaad bezien)
  29. Ronsisch: Bloest oi ezuu nie oop. (=Maak je niet kwaad.)
  30. Giethoorns: De kop oranje em-m (=kwaad wezen)
  31. Munsterbilzen - Minsters: énne franse kolaer sjiete (=kwaad worden)
  32. Munsterbilzen - Minsters: aut zen sloeffe sjiete (=kwaad worden)
  33. Lommels: ien zijn kram schieten (=kwaad worden)
  34. Nieuwerkerks: va zen kluuëten moken. (=zich kwaad maken)
  35. Zaamslags: ik bin om te bost'n (=ik ben erg kwaad)
  36. Amsterdams: Gallish worden (=kwaad worden)
  37. Tilburgs: kwaansel nie zo meej dieje rôome !! (=wees eens wat voorzichtiger met die melkkan !!)
  38. Gents: zijne oet oan en, zijne oet mee binders oan en (=kwaad zijn, zeer kwaad zijn)
  39. Oudenbosch: dur kwaam un aor in de botter (=vervolgens kwam er ruzie van)
  40. Munsterbilzen - Minsters: hae kos wol aut ze vel springe (van roeëzernaaj) (=hij was razend kwaad)
  41. Westerkwartiers: hij het de oog'n boov'm ien 'e kop (=hij is nogal kwaad)
  42. Mestreechs: uh pötsje kinne breke (=hij kan geen kwaad doen)
  43. Munsterbilzen - Minsters: iemed koejenieëre (=iemand pesten tot hij kwaad wordt)
  44. Bilzers: maoktich mér geen dikke been (=maak je maar niet kwaad)
  45. Bilzers: haol mich nie aut men haus (=maak me niet kwaad)
  46. Hals: ei èèt in zen roape geskeite (=hij is kwaad)
  47. Zottegems: de wett'n spell'n (=de regels uitleggen (kwaad))
  48. Bilzers: dae zoet rap opse piëdsje (=die werd vlug kwaad)
  49. Siebengewalds: Ik wier zu hét (=Ik werd zo kwaad)
  50. Wetters: ke au liegop (=ik ben kwaad op u)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen