Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


Het dialectenwoordenboek kent 124 spreekwoorden met `kou`

  1. Hulsters (NL): zô beuj as kouwe pap (=er genoeg van hebben)
  2. Slands: Ti's huvvurug (=koud buiten)
  3. Lichtervelds: kee dn doavroare (=ik heb koude rillingen)
  4. Herentals: tis kaat (=het is koud)
  5. Zeeuws: soeg wat is tkoud je zou de plihhe illen (=jje zou kou vatten)
  6. Liwwadders: gloepende koud (=heel erg koud)
  7. Tilburgs: hij wit wòraon èn wòraaf. (=hij kent het naadje van de kous.)
  8. Buggenhouts: mie ha bra ka,wou ha mie bra ka? oep de meit ha mie bra ka (=marie had veel kou,waar had marie veel kou?op de markt had marie veel kou)
  9. Giethoorns: De kousen over d'akke trekken (=Naar bed gaan)
  10. Aalsters: a witte kaaskes in de was (=uw witte kousen in de was)
  11. Tilburgs: ut bluujke heej kaaw vuutjes (=het kindje heeft koude voetjes)
  12. Sevenums: kaojen duuej is gewissen duuej (=een koude dooi is een zekere dooi)
  13. Lokers: aalk zijn kouse (=men moet zich niet met andermans zaken bemoeien)
  14. Lokers: aalk tsijne, ten ee de koue niets (=ieder het zijne, dan is er niets voor het kwade (de duivel))
  15. Koersels: dunne wind (=koude wind op een zonnige dag)
  16. Tilburgs: ut aaw mêenske rèèrt van de kaaw (=het oude vrouwtje beeft van de kou.)
  17. Sint-Niklaas: 'k bè ('k zî) vervrozen (=ik ben helemaal verstijfd van de kou)
  18. Lichtervelds: tis bièèstekoed (=het is erg koud)
  19. Holsbeeks: tes braa kuit (=het is redelijk koud)
  20. Loois: 'k hem kijjef (=ik heb het koud)
  21. Haarlems: ik zit te ralibalen hiero (=ik heb het koud)
  22. Tilburgs: hur haande waare pèèrs van de kaaw (=haar handen zagen paars van de kou)
  23. Merenaars: zu blaut as een skolje (=zo blauw als een schalie (van de kou))
  24. Munsterbilzen - Minsters: das mich sjijtegaol (=dat laat me koud)
  25. Zichers: sjoech, tes kaat (=brrrr, 't is koud)
  26. Hals: Mee aa kaa (=Marie had het koud)
  27. Opwijks: a melk optrekke (=het koud hebben)
  28. Antwerps: 'k em kaa (=ik heb het koud)
  29. Mestreechs: iech staon te razelle (=ik heb het koud)
  30. Liwwadders: blauwbekke (=heel erg koud hebben)
  31. Opglabbeeks: dè hêt kwakkerteblood (=nooit koud hebben)
  32. Sallands: Van 'n kaole karmse thuus kommen. (=Van een koude kermis thuis komen.)
  33. Bilzers: tsjoech, 't es kaat (=bah, 't is koud)
  34. Sinttruins: Soech (=brr, ik heb koud)
  35. Tilburgs: es iest kausse bausse (=het is koud buiten)
  36. Herns (Herne, VL-B): 't keltj (=het is koud)
  37. Westlands: ze graipe naar je (=Het is koud buiten.)
  38. Liedekerks: 'K vergezel van de kaa (=Ik heb het koud)
  39. Bargoens: naatje van de kous willen weten (=alle details willen weten)
  40. Hulshouts: Da vergrezelle kik nij van se (=Ik krijg er koude rillingen van)
  41. Sinnekloases en niekaarks: doet ô frak oan,straks scheirt ge nog ne fleuris op (=doe uw jas aan of binnenkort heb je een kou vast)
  42. Gents: goa mee eu poepe van de zulle, en doe keiskes an eu voete (=ga met je achterste van de dorpel en doe je kousen aan)
  43. Tilburgs: hij hò blotskòp bèùte gelôope èn toen un goej klèts gevat. (=hij had blootshoofds buiten gelopen en toen een fikse kou gevat.)
  44. Dilbeeks: Mee aa braa kaa (=Mieke had het bijzonder koud)
  45. Sint-Katelijne-Waver: 'k zén da zoê muug as kaa pap (=ik ben dat zo beu als koude pap)
  46. Sint-Katelijne-Waver: Mie haa kaa Mie haa braa kaa (=Maria had het koud Maria had het heel koud)
  47. Hals: mee a bra ka, woe a mee bra ka, op de met a mee bra ka (=Mie had het koud, waar had mie het koud, op de markt had mie het koud)
  48. Lovendegems: zo beu als kehwe(koude) pap (=uitermate beu*)
  49. kortemarks: tis up een oande dat rint (=het laat hem koud)
  50. Hals: Woo aa Mee braa kaa? (=Waar had Marie het erg koud?)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen