Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


6 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `it er`

  1. dan zwaait er wat (=dan dreigen zware repercussies)
  2. de klad zit er in (=het gaat niet goed)
  3. haring of kuit ergens van willen hebben (=hij wil iets zeker weten of uitgezocht zien)
  4. het zit eraan bij hem/haar (=diegene kan het betalen, er is genoeg)
  5. hij zoekt zijn paard en hij zit er op (=hij zoekt iets wat voor zijn neus is, wat iedereen ziet)
  6. Ik zoek het paard, maar ik zit erop. (=Iets zoeken waar je heel dichtbij bent)

3 betekenissen bevatten `it er`

  1. de koek is op (=het maximaal haalbare is bereikt, meer zit er niet in)
  2. op is de koek, en weg zijn de dubbeltjes (=het maximaal haalbare is bereikt, meer zit er niet in)
  3. een stille in den lande zijn (=iemand die erg stil en ingetogen is of iemand die zich bijna nooit ergens mee bemoeit)

Het dialectenwoordenboek kent 1381 spreekwoorden met `it er`

  1. Westerkwartiers: troan'n met tuut'n reer'n (=erbarmelijk huilen)
  2. Zeeuws: ie sprong ter op asn duvel op hi -erad (=reageren)
  3. Liedekerks: K'peisn dak erau was (=Ik was heel ziek / Ik was echt geschrokken)
  4. Westerkwartiers: papp'n en natholl'n (=erbij blijven en opletten)
  5. Zeeuws: ie sprong ter op as un bok op un [haver] iver kisteas nduuvel oophie-erad (=rap)
  6. Westerkwartiers: 'n grapke moet kenn'n (=een grapje hoort erbij)
  7. Twents: koffie met 't bloate gat (=koffie zonder iets erbij (koekje, taart))
  8. Westfries: je steke d'rin as 'n boneskouf (=Wat loop jij erbij!)
  9. Munsterbilzen - Minsters: èn zen haan spaaje (=eraan beginnen)
  10. Bilzers: ich zoeter vür aeveviël bij (=Ik zat erbij als Piet Snot)
  11. Gents: ge zit doar gelaak nen uil op ne kluit (=erbij zitten voor Piet snot)
  12. Westerkwartiers: die goan noar de haai'n (=die gaan eraan !!)
  13. Budels: Blieft eraf mej ouw kluutjes vingers! (=Niet aankomen!)
  14. Westerkwartiers: papp'm en nathold'n (=eraan doen wat in je vermogen ligt)
  15. Balens: mee heejel de reutemeteut (=met alles erop en eraan)
  16. Bilzers: goei gedaachte koëme raech auttet hat (=gebruik je verstand met je hart erbij)
  17. Kortrijks: Ie stoat te gaapn gelik een ond ip een zieke koe (=Hij staat erbij te kijken)
  18. Hoeselts: Dè hèt mich dat vlees ammël `opzëgzo'ts` opgète (=Iets (duur) opeten zonder iets erbij)
  19. Volendams: Un snoek is niet groot, moar ij bèèt wél je bien erof (=Een snoek is niet groot, maar hij bijt wel je been eraf)
  20. Munsterbilzen - Minsters: èn feite hübset ook gezoeke (=het zat eraan te komen !)
  21. Tilburgs: Naa hadjer bem diettie toen nie ha. (=Nu had hij erbij die hij toen niet had.)
  22. Westerkwartiers: hij 's deur de moaz'n van 't net gleed'n (=hij is eraan ontglipt)
  23. Waregems: en heel den utsekluts, den battaklang, (=met alles erop en eraan)
  24. Lebbeeks: aule: Waur aule ze 't! (=Hoe komen ze erbij!)
  25. tervurens: ummekes (=op een sympathieke manier 'hij' zeggen terwijl de persoon erbij staat)
  26. Merenaars: In miejer op de kassau laugen drau rau auren mi ne parau derbau (=In Mere op de kassei lagen 3 rauwe eieren met een prei erbij)
  27. Munsterbilzen - Minsters: nie vergaete ze jéske aon te trékke vür daste de grot èn gees (=zet hem op voordat je eraan begint)
  28. Rotterdams: Paar meter straat erbij nemen (verwijzing naar prostitutie) (=Extra werk moeten zoeken (geld nodig))
  29. Leids: Hij hep een goed hart. Ut had alleen gekookt op sun rug moete hange. Zo hoog dat de honde erbij kunne. (=Iemand is niet aardig)
  30. Sint-Niklaas: er was ies... (=er was eens...)
  31. Tilburgs: is ur niemes nie (=is er niemand)
  32. West-Vlaams: wadist (=wat is er)
  33. Brakels: der ès a op slegter papier geschreevn (=er zijn er minder mooie)
  34. Bargoens: schijt er aan hebben (=er niets om geven)
  35. Urkers: Wat is er loos (=Wat is er aan de hand)
  36. Waregems: 't zijn der die... (=er zijn er die...)
  37. Tilburgs: ut rokt ur (=er is heibel)
  38. Bilzers: doë ès kal (=er is sprake)
  39. Arnhems: Wà heijij (=Wat is er)
  40. Sallands: wat is 't (=wat is er)
  41. Slands: Wà doggie (=Wat denk je er je er van)
  42. Zeeuws: kie uut ai er nie ofsoenkeld (=er af vallen)
  43. Antwerps: er 't scheit van em'n (=er genoeg van hebben)
  44. Hamonter: Hij proat er neffe (=Er naast praten)
  45. Kortrijks: je kent er gen flutte van (=hij kent er niets van)
  46. Lichtervelds: je moet er jne pap mee koeln (=je zit er mee opgescheept)
  47. Leissels: ik geleuf er gin zak van (=ik geloof er niks van)
  48. Flakkees: Je staet er dim op (=Je ziet er netjes uit)
  49. Westerkwartiers: zichst er mietereg uut (=je ziet er slecht uit)
  50. Leefdaals: 'k versteun er gien kloette van (=ik begrijp er niets van)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen