Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


32 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `is DE`

  1. al is DE leugen nog zo snel de waarheid achterhaalt ze wel (=leugens komen altijd uit)
  2. als de nood het hoogste is, is DE redding nabij (=in hoge nood komt er vaak plotseling een oplossing)
  3. als de stok stijf staat is DE uil gaan vliegen (=zit je eenmaal met een erectie, dan is de wijsheid ver zoeken)
  4. als de wijn is in de man, is DE wijsheid in de kan (=drank verdringt gezond verstand)
  5. als het bier is in de man dan is DE wijsheid in de kan (=van dronkaards verwacht men geen verstandige woorden)
  6. Als het kalf verdronken is DEmpt men de put (=Pas na een ramp wordt actie ondernomen)
  7. dat is DE aard van het beestje (=dat is typisch iets voor die persoon; zo zit hij of zij nu eenmaal in elkaar)
  8. dat is DE druppel die de emmer doet overlopen (=dat is maar een kleine ergernis, maar samen met wat er al gebeurd is, wordt het niet meer geaccepteerd)
  9. Dat is DE goden verzoeken (=te grote risico's nemen)
  10. dat is DE hamvraag (=de vraag waar het om gaat)
  11. de aanval is DE beste verdediging (=je kunt in een strijd of ruzie beter zelf actie ondernemen dan afwachten)
  12. de ene dienst is DE andere waard (=wanneer iemand helpt, doet men graag iets terug)
  13. de rechte weg is DE beste (=eerlijkheid loont)
  14. de vis is DE boet niet weerd (=het sop is de kool niet waard)
  15. de wens is DE vader van de gedachte (=je gelooft iets, omdat je wil dat het zo is)
  16. een droge maart en een natte april is DE boeren naar hun wil (=weerspreuk)
  17. een geplaveide weg is DEs duivels oorkussen (=als je niets doet en lui bent, doe je ook niks goeds / mensen die zich vervelen omdat ze niets te doen hebben, kunnen tot de slechts dingen komen daardoor)
  18. ervaring is DE beste leermeester (=van datgene dat je zelf hebt meegemaakt leer je het meeste)
  19. geluk is DE kunst een boeket te maken van de bloemen waar je bij kunt (=gelukkig leven met de gegeven mogelijkheden/beperkingen)
  20. gierigheid is DE wortel van alle kwaad (=door gierigheid ontstaan er veel problemen en is er veel ellende in de wereld)
  21. hebben is hebben maar krijgen is DE kunst (=iets hebben is goed, maar iets bijkrijgen is beter)
  22. het is DE toon die de muziek maakt (=het gaat om de manier waarop iets gezegd wordt)
  23. het sop is DE kool niet waard (=een onderwerp is te onbelangrijk om er aandacht aan te geven)
  24. honger is DE beste kok (=wanneer men honger heeft, smaakt alles goed)
  25. is DE paus katholiek? (=een antwoord op een vraag waarvan het antwoord overduidelijk `Ja` is)
  26. ledigheid is DEs duivels oorkussen (=niets te doen hebben leidt tot misdaden)
  27. na wat gepimpel, is DE geest wat simpel (=na wat te hebben gedronken ben je meestal niet meer helder van geest)
  28. ondervinding is DE beste leermeester (=door iets zelf mee te maken of te oefenen leert men het snelst)
  29. op is DE koek, en weg zijn de dubbeltjes (=het maximaal haalbare is bereikt, meer zit er niet in)
  30. van december tot maart is DE schol de pan niet waard (=platvis moet je in de zomer eten)
  31. voorzichtigheid is DE moeder der wijsheid (=doe het voorzichtig, dan komt er geen schade)
  32. voorzichtigheid is DE moeder van de porseleinkast (=door voorzichtig te zijn, gaan tere zaken langer mee)

11 betekenissen bevatten `is DE`

  1. Niemand zoekt de ander in de oven als hij er zich niet zelf in verstopt heeft (=Alleen wie zelf slecht is DEnkt slecht over anderen)
  2. twee ruilen een huilen (=bij het ruilen is DE een altijd beter af dan de ander)
  3. de hoofdvogel schieten (=een hoofdprijs winnen, maar vaak ironisch bedoeld. Letterlijk: de hoofdvogel is DE hoofdprijs bij het vogelschieten)
  4. iets in zijn holle kies kunnen stoppen (=gezegd van eten : het is DE moeite niet, het is te weinig)
  5. de vis is de boet niet weerd (=het sop is DE kool niet waard)
  6. het komt uit zijn koker (=hij is DEgene die het heeft bedacht)
  7. de kat heeft het gedaan (=niemand is DE schuldige)
  8. de kat van de bakker heeft het gedaan (=niemand is DE schuldige)
  9. (goed) begonnen is half gewonnen (=wat niet aangevangen wordt komt ook nooit af. / Wanneer het begin van iets goed is, is DE kans groter dat het goed eindigt)
  10. wie `s nachts gaat vissen moet overdag zijn netten drogen (=Wie te veel heeft gedronken is DE volgende dag niets waard)
  11. als de stok stijf staat is de uil gaan vliegen (=zit je eenmaal met een erectie, dan is DE wijsheid ver zoeken)

Het dialectenwoordenboek kent 5597 spreekwoorden met `is DE`

  1. Zeeuws: de peetjes van de'n oonderkant zien hroei'n (=begraven zijn)
  2. Graauws: ge keu de'r aon angen (=u ziet maar)
  3. Vechtdals: dah deank'k weh, joa (=dat denk ik van wel, ja)
  4. Twents: lelke dearne as dien goat (=wat ben je toch ondeugend)
  5. Graauws: de'n ond is over taofel (=de hond in de pot vinden)
  6. fries: dea of de gladioolen (=dood of de gladiolen)
  7. Heerlens: dea ruukt noa de sjup (=een stervend iemand)
  8. Tiens: dea mins ai et kowed (=niet uit de voeten kunnen)
  9. Heerlens: dea zuupt wie ee moehzeloak (=iemand die veel drinkt)
  10. Fries: leaver dea as sleaf (=liever dood dan gereformeerd)
  11. Budels: dea staelt nog ne op zeult (=dat lijkt nergens op)
  12. Tiens: Dea es oup zenne zaap geweést (=Dronken thuis komen)
  13. Deinzes: Deb ze moat (=Daar zou je nu toch wel iets van krijgen, zeker?)
  14. Zeeuws: Die is nog ma net uut de'n oven gekomm'n (=Het is nog maar een beginneling, 'n jonkie)
  15. Heerlens: de milk huëre kloetsje, mèh nit weete woe 't deame hink (=de klok horen luiden, maar niet weten waar de klepel hangt)
  16. Heerlens: wea laat kunt, dea it sjelg of zit sjleg (=wie laat komt, die eet slecht of zit slecht)
  17. Twents: Der bint leu dee nich van gedachtn veraandert; mer dee deankt nooit noa (=Er zijn mensen die nooit van gedachte veranderen, maar deze mensen denken dan ook nooit na)
  18. Fries: dear koe ik krek deln (=daar kon ik net langs)
  19. Heerlens: Wea inge gek trouwt um d'r drek, dea verluust d'r drek en hilt d'r gek (=Wie een gek huwt omwille van diens vermogen, verliest het vermogen, maar houdt de gek)
  20. tegels: Dôw haes eine kop als eine kloon, en dea steit dich zoë sjoen. (=Je heb een hoofd als een clown en die staat je zo goed.)
  21. Tilburgs: de koej stòn in de waaj (=de koeien staan in de wei)
  22. Bilzers: den hiemel opt'iëd (=de hemel op de aarde)
  23. Moes: vanover 't wauter (=de overkant van de Schelde)
  24. Westerkwartiers: de kugel is DEur de kerk (=de beslissing is genomen)
  25. Westerkwartiers: de kuugel is DEur de kerk (=de beslissing is genomen)
  26. Venloos: de parade is door de kerkstraot (=de bevalling is gelukt)
  27. Arendonks: dabben (=met de handen in de grond graven)
  28. Kloosterzandes (Klôôsters): in de knossel (=in de knoop / in de war)
  29. Flakkees: dun tras is in de welle valle (=De emmer is in de put gevallen)
  30. Gents: de katte uit d'orloge kââken (=de kat uit de boom kijken)
  31. Balens: de vogels langen (=de eieren van de vogels roven)
  32. Zottegems: 't alvend van de moand (=in de helft van de maand)
  33. Amsterdams: In de feiling nemen (=In de maling nemen, Voor de gek houden)
  34. Kaatsheuvels: de kwoi jong (=de kinderen)
  35. Ossendrechts: de slaj staot in de spien (=de jam staat in de kelder)
  36. Drents: De goede mèns lacht met 't harte, de kwaoie met de mond (=De goede mens lacht met het hart, de slechte met de mond)
  37. Brugs: Old uki de vosche molk ut de kolder (=Haal eens de verse melk uit de kelder)
  38. Waregems: ie dee ol de kapellekes van de stroate (=hij bezocht al de café's in de straat)
  39. Fries: moarns let, de hiele dei nei de kloaten (=de morgenstond heeft goud in de mond)
  40. Gronings: de griesel gait mie over de grauwe (=de rillingen lopen mij over de rug)
  41. Munsterbilzen - Minsters: hae hoch et bij et raechte eind (=de smid sloeg de nagel op de kop)
  42. Waregems: de vinke skoifelt, de mèrloan skoifelt (=de vink slaat , de merel fluit)
  43. Amsterdams: ik hep de son in de see sien sakke (=ik heb de zon in de zee zien zakken)
  44. Sallands: mit de koe noar de bolle (=met de koe naar de stier)
  45. Gronings: van de Eems in de Dollerd komen (=van de regen in de drup komen)
  46. Zeels: den isten, d'iste (=de eerste)
  47. Zeeuws: de huus drienku mee tu puukn uut de dulvu (=de kinderen drinken met de kikkers uit de sloot)
  48. Ostêns: t' zèètje t'strange (=de zee)
  49. Brakels: poepn (=de liefde bedrijven)
  50. Dordts: sloeieren (=in de goot knikkeren)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen