Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


48 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `in zijn`

  1. blijf uit zijn kielwater of je raakt in zijn zog (=blijf uit zijn buurt, want je wordt er slechter van)
  2. dat kan hij in zijn zak steken (=dat is raak - die zit!)
  3. dat ligt hem in zijn mond bestorven (=daar spreekt hij veel over)
  4. dat staat niet in zijn woordenboek (=dat kent hij niet, daar doet hij niet aan mee, heeft hij nog nooit van gehoord)
  5. de Benjamin zijn (=het lievelingetje zijn)
  6. de kriebel in zijn gat hebben (=niet kunnen stilzitten)
  7. een gat in zijn hand hebben (=geld te gemakkelijk uitgeven)
  8. een knoop in zijn zakdoek leggen (=iets doen om ergens zeker aan herinnerd te worden)
  9. een krul meer in zijn staart hebben dan een gewoon mens (=zich een beetje aanstellen)
  10. een stuk in zijn kraag hebben (=dronken zijn)
  11. elk is een dief in zijn nering (=ieder zoekt zijn voordeel)
  12. er mankeert iets in zijn bovenkamer (=hij is niet goed bij zijn verstand)
  13. geen profeet is in zijn (eigen) land geëerd (=in tegenstelling tot vreemden, zijn mensen uit je woonplaats minder bereid te luisteren)
  14. heel wat in zijn mandje hebben (=veel geleerd hebben, veel weten)
  15. het in zijn broek doen (=in de broek plassen van schrik of van het lachen)
  16. het scheelt hem in zijn bovenverdieping (=hij is niet goed wijs)
  17. hij heeft peper in zijn achterwerk (=hij heeft een hoog tempo)
  18. Hij loopt alsof hij het vuur in zijn aars heeft (=Hij loopt heel hard)
  19. iemand in zijn eigen sop gaar laten koken (=iemand aan zijn lot overlaten (iemand die iets niet goed gedaan heeft))
  20. iemand in zijn eigen vet gaar laten smoren (=iemand die iets misdaan heeft aan zijn lot overlaten)
  21. iemand in zijn kielwater zeilen (=iemand op de hielen volgen)
  22. iets in zijn holle kies kunnen stoppen (=gezegd van eten : het is de moeite niet, het is te weinig)
  23. iets in zijn schild voeren (=iets van plan zijn, een geheim hebben, stilzwijgend een plan uitvoeren)
  24. in zijn achterhoofd hebben (=als reserve klaar hebben)
  25. in zijn eigen vet gaar koken (=aan zijn lot overlaten (iemand die iets misdaan heeft))
  26. in zijn hemd laten staan (=voor schut laten staan)
  27. in zijn knollentuin zijn (=het naar de zin hebben)
  28. in zijn kraag duiken (=de kraag hoog opzetten tegen de koude)
  29. in zijn laatste schoenen lopen (=het einde naderen - erg ziek zijn)
  30. in zijn nopjes zijn (=erg blij ergens mee zijn)
  31. in zijn sas zijn (=erg tevreden met iets zijn of plezier met iets hebben)
  32. in zijn schik zijn (=blij en opgewekt zijn)
  33. in zijn schulp kruipen (=zich in zichzelf terugtrekken, niet verder aandringen)
  34. in zijn sop gaar laten koken (=zijn kritiek en protesten negeren)
  35. in zijn vaandel schrijven (=in zijn programma opnemen)
  36. in zijn vuistje lachen (=in jezelf ergens plezier hebben / Op ietwat stiekeme wijze ergens voordeel van hebben)
  37. in zijn wiek geschoten zijn (=zich beledigd voelen)
  38. in zijn zak hebben (=iemand goed kennen, iets helemaal begrijpen, iets voor elkaar hebben)
  39. maart heeft knepen in zijn staart (=weerspreuk)
  40. recht in zijn schoenen lopen/staan (=eerlijk zijn, niets misdaan hebben)
  41. vast in zijn schoenen staan (=erg zeker zijn)
  42. veel in zijn mars hebben (=veel aanleg hebben en veel weten)
  43. vlinders in zijn buik hebben (=verliefd zijn)
  44. zich in zijn graf omkeren (=zelfs na zijn dood er nog door geschokt zijn)
  45. zijn land ligt in zijn schoenen (=hij is een grote opschepper)
  46. zijn ogen in zijn zak hebben (=zelfs het meest opzichtige niet zien)
  47. zitten alsof men een luis in zijn oor heeft (=alsof hij door zijn geweten beschuldigd wordt)
  48. zo kwaad als een spin zijn (=erg kwaad zijn)

14 betekenissen bevatten `in zijn`

  1. Bakkerskinderen eten oud brood. (=Aan het vak dat men uitoefent, besteedt men in zijn directe omgeving weinig aandacht.)
  2. geen turf hoog zijn (=erg klein zijn, erg teleurgesteld zijn)
  3. iemand de loef afsteken (=ergens beter in zijn dan iemand)
  4. een kind van zijn tijd (=iemand die leeft volgens de in zijn tijd heersende opvattingen)
  5. iemand aan zijn angel krijgen (=iemand in zijn macht krijgen)
  6. iemand in de tang nemen (=iemand zo vasthouden dat hij of zij niet kan ontsnappen. / Iemand in zijn macht hebben)
  7. aan een touwtje hebben (=in zijn macht hebben)
  8. het heertje zijn (=in zijn nopjes zijn)
  9. in zijn vaandel schrijven (=in zijn programma opnemen)
  10. glashard liegen (=liegen zonder er iets van in zijn houding te laten merken)
  11. kant noch wal raken (=totale onzin zijn)
  12. beter een goede buur dan een verre vriend (=van mensen in zijn omgeving kan men meer hulp verwachten)
  13. weten waar Abraham de mosterd haalt (=weten hoe iets in zijn werk gaat; dingen goed snappen)
  14. Jong te paard, oud te voet. (=Wie in zijn jonge jaren verkwistend is, moet op zijn oude dag zuinig zijn)

Het dialectenwoordenboek kent 2025 spreekwoorden met `in zijn`

  1. Merenaars: zijnen derden tujenen (=bont maken)
  2. Brakels: in zijnen fleurik terten (=fier zijn)
  3. Lebbeeks: tram: in zijn'n tram kroëpen (=Naar bed gaan)
  4. Deinzes: zijne knie es deur zijne kop geschod'n! (=kaalkop)
  5. Merenaars: zijnen auto in de frut raun (=auto kapot rijden)
  6. Lovendegems: op zijnen donder krijgen (=verwijten krijgen*)
  7. Lebbeeks: dievel: Zijn'n dievel es doeëd (=Hij is aan het einde van zijn Latijn)
  8. Waregems: me zijnder goe mee in doeninge (=ons contact met hen loopt vlot)
  9. Lovendegems: het aan zijne schreper hebben (=gezien zijn*)
  10. Melseels: zijne kak intrekken (=op zijn woorden of beslissing terugkomen)
  11. Lochristis: zijn mijn schoens ol gekuist (=zijnmijn schoenen reeds gepoetst)
  12. Leeds: zijne pére zien (=moeilijkheden hebben)
  13. Moes: van zijne post zijn (=het noorden verliezen)
  14. Lokers: Iemand bij zijnen schavvernak pakken (=Iemand bij de lurven vatten)
  15. Deinzes: ie es uit zijn'n nek oant kletsen (=hij stoeft)
  16. Veurns: Gin pap meeë kunn'n zegg'n (=Heel moe zijnb)
  17. Evergems: 'n Stuk in zijnen zjiléé (ook kluten) (=Een stuk in zijn kraag)
  18. Eekloos: t' Is gescheetn en gespoo'n zijnen peet (=Het is precies zijn grootvader)
  19. Gents: op larie goan, op zijnen dril goan (=op zijn lappen gaan)
  20. Lebbeeks: faur: Da's zijne faur (=Daar is hij sterk in / Dat doet hij graag)
  21. Sint-Niklaas: zijne mutten loate keren (=een boer laten)
  22. Brakels: ij trekt zijne stert iejn (=hij krabbelt terug)
  23. Gents: op zijne kinne kloppen (=niets te eten hebben)
  24. Lovendegems: zijne plan trekken (=zich weten te redden*)
  25. Oudenbosch: daor zijnk nie mee grootgekomme / opgebrocht (=dat ken ik niet van huisuit)
  26. Wetters: Hij hee oak zijnen vinger in zijn oge gestoken (=Hij heeft zich vergist)
  27. brakels: hij goat mee zijnen deissel noar Lessen (=achteruit gaan)
  28. Oudenaards: d'r stoa woater in zijne keldre (=zijn broek is te kort)
  29. Lovendegems: zijne pere afzien (=zware moeilijkheden*)
  30. Waregems: zijnen bolf vull'n (=veel eten)
  31. Waregems: elk ip zijn'n toer (=ieder op zijn beurt)
  32. Oudenbosch: zijnzal afgeroepe ? (=zijn zij al in ondertrouw ?)
  33. Lebbeeks: miëster: Mé zijne miëster getraat zijn (=Thuis niets te zeggen hebben)
  34. Lebbeeks: kelder: Ei èi wauter in zijne kelder (=Zijn broek is te kort)
  35. Oudenbosch: das kore op zijne meule (=daar is hij het helemaal mee eens)
  36. Gents: zijne tsoep aan en (=geen geluk hebben met iets)
  37. Sint-Niklaas: die zieken zie zijne peéren nogal (=die zieke man ziet af)
  38. Sint-Katelijne-Waver: Hij heeft zijne pere gezien (=Hij heeft het moeilijk gehad)
  39. Temse: ij goat der vendeur me zijne steirt tusse zen pote (=bang doorgaan)
  40. Lokers: ij luept achter zijne sjarel (=Over iemand die steeds op vrouwenjacht is)
  41. Lovendegems: 't zijt in zijne pap nie verdienen (=weinig of geen geld verdienen*)
  42. Lokers: ij zit op zijnen truuen (=Hij zit op het toilet)
  43. Zeels: bij zijnen schabbernak pakker (=iemand bij de kraag vatten)
  44. Sint-Niklaas: 't doo(ds)kerrukkun over zijne rug voele rijn (=zeer bevreesd zjn om te sterven, zwaar ziek zijn)
  45. Waregems: ie trek zijn'n plan (=hij slaat er zich doorheen)
  46. Zottegems: ij eet on zijn kluuten, ij eet on zijne rekker (=hij heeft het zitten)
  47. Gents: zijne oet oan en, zijne oet mee binders oan en (=kwaad zijn, zeer kwaad zijn)
  48. Melseels: slecht op zijne gank zijn (=slecht te been zijn)
  49. Zottegems: zijne peere zien (=het zeer moeilijk hebben)
  50. Geels: hij heter zijne keis bij in geschoten (=iemand die gestorven is)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen