Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


4 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `in gee`

  1. in geen kerk of kluis komen (=niet godsdienstig zijn)
  2. in geen tijden (=in lange tijd)
  3. in geen twee sloten tegelijk lopen (=voorzichtig zijn en op zichzelf kunnen passen)
  4. in geen velden of wegen te zien zijn (=iets is helemaal nergens te vinden)

5 betekenissen bevatten `in gee`

  1. geen strobreed in de weg leggen (=in geen enkel opzicht hinderen)
  2. Geen tien paarden brengen me daar naar toe. (=in geen geval ga ik daar naar toe)
  3. de pot op kunnen (=in geen geval krijgen)
  4. iemand van twaalf ambachten en dertien ongelukken zijn (=steeds verschillende baantjes hebben maar in geen enkel baantje succesvol zijn)
  5. om de dooie dood niet (=volstrekt niet, in geen geval, al kost het me mijn leven)

Het dialectenwoordenboek kent 949 spreekwoorden met `in gee`

  1. West-Vlaams: jeet een tonge van lientjes (=hij kan praten als geeneen)
  2. Overijses: geene noegel emme ve on a gat te krabbe (=geen bezittingen hebben)
  3. Sint-Laureins: geein patotte van èn (=geen verstand van hebben)
  4. Bilzers: gee geja-mér (=geen excuses)
  5. Gents: ge gee vele (=je geeft veel)
  6. Bilzers: dat ès geene frang wiëd (=dat is geen cent waard)
  7. Urkers: ai jie allurs un prikkien mit um opewarmd (=heb je al eens met hem geerfd?)
  8. Sint-Laureins: jis van geenen haeze gemaekt (=hij is niet vlug)
  9. Evergems: ij ee geene noagle om an zijn gat te krabb'n (=hij heeft geen bezit)
  10. Willebroeks: nost geene kant (=aan de andere kant)
  11. Liemers: Elk pundje geeh toch eers deur't mundje. (=Zwaarder in gewicht worden.)
  12. Waregems: in geen'n tijd (=als de bliksem)
  13. Eekloos: un totte geefn (=een kus geven)
  14. Drents: Hij schrouwt asof e in geelbroek zit (=Hard roepen)
  15. Sint-Niklaas: 't glas is geelegans kapot (=het glas is helemaal kapot)
  16. Westfries: Hai heb 't niet an z'n geefklier (=Hij is niet vrijgevig)
  17. Brakels: der nen drouj oan geeen (=iets verbloemd uitleggen)
  18. Gents: 'k zie eu geere (=ik zie je graag)
  19. Drents: Iene hen Geelbroek wèensen (=iemand iets niet gunnen)
  20. Siebengewalds: ziede geej wel wies?! (=ben je gek geworden?!)
  21. Genks: gee nouts ès goed nouts (=geen nieuws is goed nieuws)
  22. Munsterbilzen - Minsters: das gee klee bier (=dat is geen kleinigheid)
  23. Sint-Niklaas: va geenen oantrok zin (=door niemand bezocht worden en geen vrienden hebben)
  24. Tilburgs: hè kos nie hèrs òf geens (=hij kon geen kant meer op)
  25. Bilzers: Dat trèk op geenen élger (=Dat lijkt nergens naar)
  26. Buggenhouts: hei he' geene boeilt vant werken (=een gediplomeerde luiaard)
  27. Brugs: utwien un schip oender z'n kloaten geejven (=iemand een trap geven)
  28. Munsterbilzen - Minsters: de bès gee graut lich (=jij bent geen stichtend voorbeeld)
  29. Liemers: Geeh de liefde d'r achteruut............... (=Als de armoe er voor inkomt.......)
  30. Sint-Laureins: tis geenen teek (=je mag hem niet onderschatten)
  31. Sallands: kzal oe 'n lik veur de bek geem (=ik zal je een klap geven)
  32. Opglabbeeks: det huiw ich mich in miene geelis (=dat eet ik me helemaal smaakvol op)
  33. Genneps: zö gèèl as ennen dojjer (=Erg geel)
  34. Arnhems: Ik heb een geel zwert hert (=Ik heb een geel zwart hart)
  35. Venrays: dat zedde geej joah (=dat had ik zo begrepen)
  36. Heerlens: gee beater vrundje es 't eege mundje (=geen beter vriendje dan het eigen mondje)
  37. Munsterbilzen - Minsters: geld mok nie gelèkkëg, gee geld heilegans nie (=een beetje geld kan geen kwaad)
  38. Horster: wao ziede geej d'r enne va? (=hoe heet jij?)
  39. Bilzers: gee waer vürnen hond dür te jaoge (=barslecht weer)
  40. Maas en waals: Hoe gee ut? (=Hoe gaat het?)
  41. Munsterbilzen - Minsters: dat frit gee braud (=ik heb tijd zat)
  42. kortemarks: gee glyk en een ende toe (=je hebt gelijk)
  43. Mestreechs: geer, eur(e), veur uuch (=u, uw, voor u)
  44. Munsterbilzen - Minsters: on dich is gee vèt te krijge (=eet wat beter !)
  45. Munsterbilzen - Minsters: hae hoch nog gee sjrempke (=hij mankeerde niets)
  46. Bilzers: doë wiët ich geene waeg mèt (=daar kan ik niet mee uit de voeten)
  47. Munsterbilzen - Minsters: ich hüb gee klaoge (=alles loopt gesmeerd)
  48. Munsterbilzen - Minsters: gee waer vür nen hond dër te jaoge (=slecht weer)
  49. Tilburgs: èlleken dag hèrs èn geens nòr Gôol (=iedere dag heen en weer naar Goirle)
  50. Sint-Niklaas: geel den batteklang (=alles wat er is)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen