Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


Er zijn geen spreekwoorden gevonden die `in elkaar` bevatten.

10 betekenissen bevatten `in elkaar`

  1. dat is de aard van het beestje (=dat is typisch iets voor die persoon; zo zit hij of zij nu eenmaal in elkaar)
  2. iets/iemand in de gaten hebben/krijgen (=doorkrijgen hoe dingen in elkaar steken of zicht houden op de situatie)
  3. klare wijn schenken (=eerlijk en duidelijk vertellen hoe de situatie in elkaar steekt)
  4. ergens haring of kuit van willen hebben (=ergens precies van willen weten hoe het in elkaar steekt)
  5. ik maak een platvis van je (=iemand dreigen in elkaar te slaan)
  6. iemand uit de droom helpen (=iemand vertellen hoe het écht in elkaar zit)
  7. instorten als een kaartenhuisje (=plots en snel in elkaar zakken, tenietgedaan worden)
  8. de schellen vallen hem van de ogen (=plotseling iets begrijpen hoe het in elkaar steekt)
  9. weten uit welke hoek de wind waait (=weten hoe het in elkaar zit, wie de baas is)
  10. Dat is het hele eieren eten. (=Zo zit de zaak in elkaar.)

Het dialectenwoordenboek kent 114 spreekwoorden met `in elkaar`

  1. Tilburgs: we hèbbe saome in dezèlfde waaj gelôope. (=we zijn samen , in elkaars buurt, opgegroeid,)
  2. Sint-Niklaas: een eike geven (=zacht en strelend met een wang tegen elkaars gezicht wrijven)
  3. Westerkwartiers: ien mekoar frutsel'n (=in elkaar prutsen)
  4. Westerkwartiers: onner eig'n volk (=onder elkaar)
  5. Izegems: top oovr t'ès (=door elkaar)
  6. Zolders: fokkedeere (=iets in elkaar knutselen)
  7. Heerlens: vamerakel houwe (=in elkaar slaan)
  8. Waregems: roezepetoeze (=alles door elkaar (oprapen,stapelen))
  9. Westerkwartiers: alles deur 'n anner hen (=alles door elkaar heen)
  10. Westerkwartiers: wolv'm verscheur'n 'n anner niet (=booswichten steunen elkaar)
  11. Zeeuws: deur de kedoengze doen (=door elkaar rammelen)
  12. Liwwadders: lepelke - lepelke legge (=dicht tegen elkaar aanliggen (in bed))
  13. Westerkwartiers: 't komt veur de bakker (=het komt voor elkaar)
  14. Rotterdams: Kat in 't bakkie of okidokiii (=Komt voor elkaar.)
  15. Venloos: oet den aek dreije (=voor elkaar krijgen)
  16. Hals: as ge ba den ond sloapt, ropte zen vluuje (=elkaar aansteken)
  17. Zeeuws: Goed geboerd liggen (=De zaakjes voor elkaar hebben)
  18. Sint-Niklaas: doent mor vaneen (=doe het maar van elkaar (uit elkaar))
  19. Ledegems, Kappels: wistekapeele (=alles door elkaar)
  20. Antwerps: das in de sjakos (=dat is voor elkaar)
  21. Liwwadders: sappele (=de eindjes moeizaam aan elkaar knopen)
  22. Sint-Niklaas: ondereen kletsen (=onder elkaar smijten)
  23. Opglabbeeks: in griezelemente valle (=in stukken uit elkaar vallen)
  24. Westerkwartiers: geld zocht geld (=rijke vrijers zoeken elkaar)
  25. Zeeuws: t uusje bi de schuure ouwen (=bij elkaar houden)
  26. Westerkwartiers: da's veur de bakker (=dat is dik voor elkaar)
  27. Zeeuws: deur mekaarn roenkelen (=door elkaar roeren)
  28. Zeeuws: t is allemille snotte en kwiele (=flauw met elkaar)
  29. Tilburgs: dikke mik meej zuure zult (=prima voor elkaar)
  30. Zeeuws: tis pik en vier (=elkaar niet uit kunnen staan)
  31. Waregems: te reke (vb. drie slagen) (=kort na elkaar (vb. drie slagen))
  32. Drents: Wij akkedeert goed (=Goed met elkaar op kunnen schieten.)
  33. Sint-Niklaas: ei was alles ont bijeenkletsen (=hij goot alles bij bij elkaar)
  34. Hals: gerèie en gebréie ba mekander zitte (=veel bij elkaar zijn)
  35. Tilburgs: hout op hout zaogt nie! (=mannen behoren elkaar niet te kussen.)
  36. Waregems: 't es 'n ipgezet spel (=vooraf onder elkaar geregeld)
  37. Weerts: De ein kre-j piktj de ânger gein oug oet (=Vrienden helpen elkaar)
  38. kortemarks: ze zyn van tzelfste gedacht (=ze zijn het met elkaar eens)
  39. Westerkwartiers: ze speul'n 'n anner de baal toe (=zij bevoordelen elkaar)
  40. Westerkwartiers: zij hemm'n mot met 'n anner (=zij hebben ruzie met elkaar)
  41. Waregems: roezepetoeze (=alles door elkaar geschud (toeval laten spelen))
  42. Lovendegems: da goa goe t' huupe (=dat past goed bij elkaar*)
  43. Gronings: hest weer veur'n kander (=heb je het weer voor elkaar)
  44. Westerkwartiers: veul te dicht op 'n anner (=veel te dicht bij elkaar)
  45. Lichtervelds: tis famielj uut (=we praten niet meer met elkaar)
  46. Arendonks: weten huw dèt 't vereke gebönne ligt (=weten hoe het in elkaar zit)
  47. Tilburgs: ze zò-n alles in bekaare rêepe (=ze zouden alles in elkaar rijden)
  48. Lichtervelds: tis doa beeld moa gièèn klank (=ze spreken niet met elkaar)
  49. Tilburgs: ze zaage mekaare verrèkkes gèère. (=ze waren straalverliefd op elkaar.)
  50. Sint-Niklaas: das piek a piek (=ze kunnen elkaar niet lijden)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen