Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

12 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `in de mond`

  1. bitter in de mond maakt het hart gezond (=ook wat minder aangenaam is, kan gezond of goed zijn)
  2. de gebraden duiven vliegen hem in de mond (=krijgt alles zonder er moeite voor te doen)
  3. de gebraden duiven vliegen niemand in de mond. (=iemand die luxe wil zal er voor moeten werken)
  4. de ochtendstond/morgenstond heeft goud in de mond (=door vroeg te beginnen kan men meer werk verrichten.)
  5. gebraden duiven vliegen niemand in de mond (=je krijgt niets zomaar (zonder er enige moeite voor te doen))
  6. het smelt als boter in de mond (=(van eten) het is erg mals)
  7. het water loopt hem in de mond (=hij heeft er heel veel trek in.)
  8. iemand de brokken in de mond tellen (=iemand iets helemaal niet gunnen)
  9. iemand de pap in de mond geven (=iemand een gemakkelijke oplossing zomaar aanbieden)
  10. iemand iets in de mond geven (=iemand de mening van een ander laten geven in plaats van de eigen mening)
  11. je moet een gegeven paard niet in de mond kijken. (=je moet niet te kritisch zijn over cadeaus, of koopjes)
  12. los in de mond zijn. (=zichzelf goed kunnen uitdrukken en gedachten kunnen verwoorden.)

Het dialectenwoordenboek kent 31 spreekwoorden met `in de mond`

  1. Veurns: etwieên op ze plekke zetten (=de mond snoeren)
  2. Sallands: de bek op slaon (=op de mond slaan)
  3. Nunspeets: Langes de bek wissen (=Langs de mond vegen)
  4. Drents: Die gruit de spinnewebben niet veur de mond (=Die durft de mond wel te roeren)
  5. Gronings: skuim op de bek staan jonge (=schuim op de mond staan)
  6. Drents: De goede mèns lacht met 't harte, de kwaoie met de mond (=De goede mens lacht met het hart, de slechte met de mond)
  7. Venloos: Ik heb eine smaak in de mónd asof d'r ein kat in haet zitte jônge (=Een vieze smaak in de mond hebben)
  8. Bilzers: viër ên aater (zègge)\r\nopte man aof (=zonder een blad voor de mond te nemen (zeggen))
  9. Roermonds: Dem móste ze sjpits make en de grondj in pave (=Ze moesten hem de mond snoeren)
  10. Fries: moarns let, de hiele dei nei de kloaten (=de morgenstond heeft goud in de mond)
  11. Bilzers: viër ên aater gezaag (=ik neem geen blad voor de mond)
  12. Weerts: met 'ne lieëpel hoeëning kujje mieër bi-jje vânge dan met 'n ton azien (=stroop om de mond smeren)
  13. Bilzers: viër ên aater gezaag (=zonder een blad voor de mond te nemen)
  14. brabants: D' urste krèij vêngt de piere. (=De morgenstond heeft goud in de mond)
  15. Munsterbilzen - Minsters: hae plekde on mich waajen strontvlieg (=de imker smeerde honing aan de mond)
  16. Herns (Herne, VL-B): a droetj lek ne noan op de kerktoeren (=naar de mond praten)
  17. Munsterbilzen - Minsters: iemes sjroep on de mond smaere (=iemand opvrijen)
  18. Munsterbilzen - Minsters: e lief mèt zen ooge bènne doen (=de beste kus is niet die met de mond maar wel die met de ogen)
  19. Heusdens: ichkan er nie euver zwe`ge (=waar het hart van vol is,loopt de mond van over)
  20. Munsterbilzen - Minsters: daaj kos vieër kotse (=als 't hart in brand staat, vliegen de vonken uit de mond)
  21. Munsterbilzen - Minsters: het watter steed em tot on de mond (=de brouwer is het zat)
  22. Munsterbilzen - Minsters: iemes de pap én de mond gaeve (=iemand alle kansen geven)
  23. Westerkwartiers: één de mond snoer'n (=iemand tot zwijgen brengen)
  24. Munsterbilzen - Minsters: ne getrouwde man moet de mond tau en de portemenei oëpe haage (=trouwen is houwen !)
  25. Westerkwartiers: één noar de mond proat'n (=iemand vertellen wat die graag hoort)
  26. Westerkwartiers: bloaz'n en 't meel ien de mond holl'n (=zuinigerd die opschept)
  27. Westerkwartiers: beder haard bloaz'n as de mond verbraand (=beter een keer te veel gewaarschud)
  28. Munsterbilzen - Minsters: daaj hüb ich ès gauw de mond gestop (=de diëtiste was het topje van de cake)
  29. Twents: He wil poezen, mer 't mel in de moond holn. (=Hij wil blazen, maar het meel in de mond houden (dus twee dingen tegelijk doen, wat niet kan).)
  30. Munsterbilzen - Minsters: de mond mok datte batse slaeg krijge (=wie een grote mond zet, moet de gevolgen dragen)
  31. Munsterbilzen - Minsters: iërappel raech autte grond, zinnen lekkernaaj èn de mond (=vers fruit en verse groenten geven de beste smaak)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen