Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


25 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `iets in`

  1. er mankeert iets in zijn bovenkamer (=hij is niet goed bij zijn verstand)
  2. hij heeft iets in de melk te brokkelen (=hij heeft invloed)
  3. iemand iets in de maag splitsen/stoppen (=iemand met iets opzadelen)
  4. iemand iets in de mond geven (=iemand de mening van een ander laten geven in plaats van de eigen mening)
  5. iemand iets in de schoenen schuiven (=iemand aanwijzen als de schuldige of als de verantwoordelijke voor een mislukking)
  6. iemand iets in het oor bijten (=iemand iets op bitsige wijze influisteren)
  7. iemand iets in het oor fluisteren (=iemand iets zachtjes zeggen, heimelijk laten weten)
  8. iets in de doofpot stoppen (=ergens totaal niet meer over praten, verzwijgen)
  9. iets in de gaten krijgen (=iets ontdekken, iets zien)
  10. iets in de groep gooien (=iets in een groep bespreken)
  11. iets in de schoot geworpen krijgen (=iets verkrijgen zonder al te veel moeite er voor te doen)
  12. iets in de verf zetten (=beklemtonen, accentueren)
  13. iets in de vingers hebben (=ergens ervaring en deskundigheid over hebben opgebouwd, waardoor men met grote kwaliteit en zonder fouten te maken, zich hiermee bezig kan houden)
  14. iets in de wacht slepen (=op oneerlijke manier verkrijgen, iets in bezit krijgen voor weinig geld)
  15. iets in de wieg smoren (=iets van bij het begin vernietigen)
  16. iets in de wind slaan (=naar een advies niet naar luisteren)
  17. iets in één adem uitlezen (=een boek waaraan je begonnen bent heel snel uitlezen, omdat je het zo spannend vindt)
  18. iets in geuren en kleuren vertellen (=iets zeer uitvoerig en gedetailleerd vertellen)
  19. iets in goede banen leiden (=ervoor zorgen dat iets goed verloopt)
  20. iets in het oor knopen (=iets goed onthouden)
  21. iets in het vet hebben (=nog iets voor iemand tegoed hebben)
  22. iets in petto houden (=een mededeling voor later bewaren)
  23. iets in zijn holle kies kunnen stoppen (=gezegd van eten : het is de moeite niet, het is te weinig)
  24. iets in zijn schild voeren (=iets van plan zijn, een geheim hebben, stilzwijgend een plan uitvoeren)
  25. niets in de melk te brokken hebben (=niets te zeggen hebben)

14 betekenissen bevatten `iets in`

  1. wat het huis verliest, brengt het weer terug (=als men iets in huis zoek maakt, komt het meestal vanzelf weer tevoorschijn)
  2. ergens oren naar hebben (=er wel iets in zien)
  3. een vinger in de pap hebben (=ergens iets in te zeggen hebben, invloed hebben)
  4. ergens lucht van krijgen (=ergens van de op de hoogte geraken, iets in de gaten krijgen)
  5. gekke Henkie (=iemand die niets in de gaten heeft (bv. `Je denkt toch niet dat ik gekke Henkie ben ?`))
  6. iemand geen vingerbreed in de weg leggen (=iemand niets in de weg leggen , absoluut niet hinderen)
  7. de rode haan laten kraaien (=iets in brand steken)
  8. een oogje in het zeil houden (=iets in de gaten houden)
  9. iets in de groep gooien (=iets in een groep bespreken)
  10. een nul in het cijfer zijn (=niets in te brengen hebben)
  11. iets in de wacht slepen (=op oneerlijke manier verkrijgen, iets in bezit krijgen voor weinig geld)
  12. een lange neus maken (=tong uitsteken, iemand iets inpeperen (Jaloers maken))
  13. weten waar Abraham de mosterd haalt (=weten hoe iets in zijn werk gaat; dingen goed snappen)
  14. de schouders eronder zetten (=zich voor iets inspannen)

Het dialectenwoordenboek kent 556 spreekwoorden met `iets in`

  1. Lokers: ietsjes (=pas op, het is heet tegen peuter of kleuter))
  2. Maldegems: iets eutveugln (=iets uitzoeken)
  3. Mestreechs: get fisternölle (=iets knutselen)
  4. Bilzers: iets miech zin (=iets beu zijn)
  5. Sint-Niklaas: iets opkroppen (=iets niet durven zeggen)
  6. Lopiks: Iets okkig vinden (=Iets niet leuk vinden)
  7. Sint-Niklaas: iets gewend zin (=iets gewoon zijn)
  8. Sint-Niklaas: iets int vuil schrèven (=iets in het klad schrijven)
  9. Sint-Niklaas: iets in zènne kop steken, manzjunnie ein (=zich iets inbeelden)
  10. Sint-Niklaas: iets pakken da stopachtig is (=iets innemen tegen de diarreé)
  11. Aspers: der zit iets in mijnen neuze (=er zit me iets dwars)
  12. Liedekerks: Zabbern (=Aan iets likken, zuigen)
  13. Ninoofs: kop emmen in iet (=ambitie hebben voor iets)
  14. Westels: veutters nog iet (=anders nog iets)
  15. Harelbeeks: Dadd'es 'n bescheet'n kemissie (=Dat is een mislukt iets)
  16. Westerkwartiers: da's 'n onnergeschoov'm kiendje (=dat is een ondergewaardeerd iets)
  17. kortemarks: in etwie ze roapn schytn (=iemand iets misdoen)
  18. Lovendegems: bloaskes wijsmaken (=iemand iets wijs maken*)
  19. Luyksgestels: d'rmee voare (=iets aan den lijve ervaren)
  20. Twents: int gat houwn (=Iets afbreken (gebouw))
  21. Venloos: bermheuken (=iets bereiken door ellebogenwerk)
  22. Luyksgestels: 'r nie aon ùit kanne (=iets niet kunnen begrijpen)
  23. Eekloos: ge keun mijn klootn kuischen (=iets niet willen doen)
  24. West-vlaams: é teustje drienken (=iets drinken)
  25. Munsterbilzen - Minsters: zen mauwe opstrepe (=iets gaan doen)
  26. Munsterbilzen - Minsters: ne vieze staut mètmaoke (=iets geweldigs tegenkomen)
  27. Genneps: örges de schiet van krriege (=Iets helemaal gehad hebben)
  28. Poperings: In duuk doen (=iets in het verborgene doen)
  29. Westerkwartiers: wat onner oog'n zien (=iets onderzoeken)
  30. Westerkwartiers: 'n oogje toekniep'm (=iets stiekem toelaten)
  31. Kortrijks: Mariatje lankweirk (=iets van lange duur)
  32. Evergems: de klokk'n luien (=iets vertellen wat niet mag)
  33. Westels: Wa nie wét, da ni lét (=iets verzwijgen)
  34. Merenaars: iet sadoeët mauken (=iets volledig opeten)
  35. Erps: eu vertelchelken vertellen (=iets voorlezen uit een kinderboek)
  36. Sint-Niklaas: al kaks doen (=iets zogezegd spontaan doen)
  37. Lichtervelds: kzitte mè de brokkn (=ik heb iets gebroken)
  38. Westerkwartiers: zoek'n noar 'n speld ien 'n hooibaarg (=moeilijk vindbaar iets)
  39. Antwerps: ambettant zen (=met iets verveeld zijn)
  40. Bilzers: Kop noch stat on get krijge (=Niet wijsgeraken uit iets)
  41. Moorsel: wadestmiskien | \r\nwa schilter e? (=scheelt er iets)
  42. Arendonks: erges oep sjikken (=op iets blijven nadenken)
  43. Rotterdams: je bek een douw geven (=zomaar iets zeggen)
  44. Booms: gor sloage (=zorg voor iets dragen)
  45. Veurns: etwoar over vollen (=zich ergeren aan iets)
  46. Vechtdals: ie mut toch iets hem'm wat oe plög. (=er is altijd iets wat je dwars zit.)
  47. Munsterbilzen - Minsters: ne zwoenk on get gaeve (=aan iets een draai geven)
  48. Tilburgs: Beter schuin d'r in als recht d'r neffe (=Beter iets dan niets)
  49. Weerts: Ich kan d'r geine kop aan kriêge (=Als je iets niet snapt)
  50. Aspers: ie moakt mij bloaskes wijs (=hij maakt me iets wijs)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen